vrijdag, maart 16, 2012

Een week van gemiste hypes

Vroeger, zo’n tien tot vijftien jaar geleden, pakte je voor het nieuws nog de krant, of keek je naar het NOS-journaal. Tegenwoordig zoek ik mijn nieuws zelf, via NU.nl natuurlijk, en daarnaast in toenemende mate via sociale media als Facebook en Twitter. Afgelopen week kwam ik er daarom achter, dat ik drie leuke hypes had gemist.

Het blogbal
Jeroen Mirck, D66’er, oud-redacteur van Joop en sociale mediagoeroe, had op Facebook veel foto’s geplaatst van het zogenaamde Blogbal, dinsdagavond 13 maart in De Balie in Amsterdam. Dit alternatieve Boekenbal, waar ik tot Mircks fotoserie nog nooit van had gehoord, was behalve trendy ook trending op Twitter: #blogbal was een stuk populairder dan #boekenbal. Toen ik Mirck met een zielsgelukkig gezicht op de dansvloer zag tussen al die Marokkaans-Nederlandse schoonheden (kennelijk zijn zij de beste bloggers), betreurde ik het zeer dat ik zelf geen sociale mediagoeroe was en als historicus helaas te vaak achter de feiten aanloop.

Steak & Blowjobday
Op 14 maart is het, zo weet ik sinds 15 maart, Steak & Blowjobday. Dit feest staat niet op zichzelf, maar is de reactie van het mannelijk lid van onze door en door feminiene samenleving op vrouwenfeestdagen als Valentijnsdag (14 februari) en Internationale Vrouwendag (8 maart). Op Valentijn geeft de man de vrouw romantische cadeautjes, op 14 maart mag de vrouw hiervoor iets liefs terugdoen met een sappig stukje vlees, zo is gedachte. De dag heeft ook een officiële website, waarop de lange geschiedenis van deze gedenkwaardige dag uit de doeken wordt gedaan: http://www.officialsteakandblowjobday.com/about Toen ik op 15 maart via Twitter voor het eerst van Steak & Blowjobday hoorde, was het moment suprême alweer voorbij.

Rokjesdag
Het laatste hoogtepunt dat ik aan mij moest laten voorbijgaan was rokjesdag. Vroeger had rokjesdag iets spontaans. Natuurlijk, je hield het weer goed in de gaten en de columns van rokjesdaggoeroe Martin Bril in de Volkskrant. Als je op een zonnige lentedag echter opeens werd geconfronteerd met een boel blote benen, dan was dit toch een vrolijke verrassing. Rokjesdag kwam spontaan. Nu Martin Bril er niet meer is, hebben de sociale media de macht over rokjesdag overgenomen. Er is nu zelfs een speciale rokjesdag app. Vraag mij niet wat dit is, ik weet het echt niet en snap er ook helemaal niks van, maar ik heb via Twitter wel opgevangen dat deze app bestaat. Op 15 maart, de dag dus na Steak & Blowjobday, vond in Nederland rokjesdag plaats. In ons koude kikkerlandje was het op deze zonnige winterdag helemaal niet warm, maar niettemin was via de sociale media besloten dat dit de dag moest zijn. Vroeger keken vrouwen nog gelukkig op rokjesdag, ze straalden iets warms uit. Op 15 maart zag ik koudbloedige wezens, die spontaan probeerden te doen maar het niet waren. Ik ben niet een conservatieve historicus die van mening is dat vroeger alles beter was, maar als het om rokjesdag gaat, verlang ik echter terug naar die goeie oude tijd, van pakweg vijf jaar geleden, toen Martin Bril er nog was en spontaan de broek uit ging.

Besluit
Gelukkig kan ik deze week wel afsluiten met een deelname aan een hype, die ik wel op tijd heb gezien. In mijn woonplaats Kampen (waar het overigens elke zondag rokjesdag is, maar deze rokjes gaan tot de enkels) draait de film Fetih 1453 nog een keertje extra, omdat deze film zo goed bezocht is. Het is de duurste Turkse filmproductie aller tijden, en gaat over de val van Constantinopel (het huidige Istanbul), dat na een maandenlange belegering in handen valt van het Ottomaanse Rijk. De film is niet alleen een historisch spektakel, maar er zit ook veel romantiek in, en bloedmooie actrices. Fetih heeft niets met fetisj te maken, maar is het Turks voor verovering. Misschien moeten wij, vermaledijde control freaks die wij helaas vaak zijn, ons wat minder laten leiden door onze fetisj voor hypes, en ons wat vaker spontaan laten veroveren. Verwen je dame niet alleen op Valentijn, maar ook eens op een andere dag. Steak & Blowjobday hoeft niet per se op 14 maart plaats te vinden, maar is ook leuk voor je verjaardag of gewoon zomaar. Een hype kan even leuk zijn, zoals het spontane Blogbal dat ik helaas heb gemist, maar laten we verder toch asjeblieft een beetje creatief blijven.

zaterdag, maart 10, 2012

De emancipatie van de SGP

Dit essay komt, wellicht in iets gewijzigde vorm, in het nog te verschijnen boek van Remco van Mulligen en mij over ´Het einde van de christelijke politiek?´

Poldertaliban
In de meidagen van 2011 verwierven de staatkundig-gereformeerde mannenbroeders een politieke sleutelpositie, toen VVD, CDA en officiële gedoogpartner PVV hun meerderheid in de senaat verloren en afhankelijk werden van de officieuze gedoogsteun van de SGP. Veel reacties hierop in de media waren even voorspelbaar als fel. De streng-christelijke partij zou fundamentalistisch zijn, en in wezen niet verschillen van de Taliban in Afghanistan. De domeinnaam www.poldertaliban.nl werd geclaimd door Alexander Klöpping, vaste gast in De Wereld Draait Door, die deze URL meteen doorlinkte naar de homepage van de SGP.
Veel politici daarentegen reageerden realistischer. Zij realiseerden zich heel goed, dat de kleine SGP in haar eentje niet vier decennia van secularisatie kon terugdraaien, maar begrepen dat het spookbeeld van Staphorst een stok was om de VVD mee te slaan. Vooral D66 liet het niet na de VVD verloochening van liberale principes te verwijten, met als achterliggende boodschap natuurlijk dat de echte liberalen bij D66 moesten zijn.
In plaats van heel verontwaardigd te zijn en in de slachtofferrol te kruipen, wilde de SGP de aanvallen met humor pareren. Menno de Bruyne, al meer dan een kwart eeuw persvoorlichter van de Tweede Kamerfractie van de SGP, slingerde enkele tweets met zijn Blackberry de wereld in:

In verband met de nieuwe politieke verhoudingen is de SGP voortaan ook te bereiken onder www.poldertaliban.nl

Om te voorkomen dat het beeld van de SGP te ver af komt te staan van de werkelijkheid, overwegen de SGP-kamerleden hun baard te laten staan.

Vandaag bespreekt de ministerraad het nog geheime voorstel van de SGP dat heel Nederland de biblebelt moet aanhalen. #SGPinvloed

Ook de SGP-jongeren probeerden ludiek te zijn. Zij trokken en masse naar de Jaarbeurs te Utrecht, waar D66 een partijcongres hield, en schonken bij de ingang oranjebitter. De boodschap was duidelijk: SGP’ers waren echt geen fundamentalisten, en hoorden helemaal bij Nederland.
De VVD, die afhankelijk was geworden van steun van de SGP, sprong voor de kleine partij in de bres. VVD-coryfee Hans Wiegel noteerde in zijn column in De Pers dat de SGP altijd een constructieve houding innam, VVD-premier Mark Rutte zei eerder al dat de SGP een hele gezellige club mensen is en in december 2011 wijdde Liberaal Réveil, het orgaan van het wetenschappelijk bureau van de VVD, zelfs een speciaal themanummer aan de SGP-gedoogsteun. Dit themanummer bevatte onder andere een artikel van SGP-leider Kees van der Staaij, die daarin de ‘echte liberalen’ (hiermee bedoelde Van der Staaij VVD’ers, niet D66’ers) prees om hun ‘tolerantie’ tegenover ‘minderheden’ (hiermee bedoelde Van der Staaij orthodoxe protestanten, niet moslims). De VVD bleef investeren in een goede band met de SGP. Op 10 maart 2012 trad Mark Rutte op als hoofdspreker tijdens de SGP-jongerendag in Utrecht en oogstte een daverend applaus met zijn speech, waarin hij beweerde dat VVD en SGP dichter bij elkaar staan dan VVD en SP.

Nederland verandert dankzij de officieuze gedoogsteun van de SGP niet plotseling in Polertalibanland. Seculiere verworvenheden als abortus, euthanasie en het homohuwelijk staan niet op de tocht. De ChristenUnie heeft in de periode 2007-2010 als coalitiepartner op het orthodox-christelijke vlak niets bereikt. Het zal de SGP als gedoogpartij niet anders vergaan. Hooguit houdt de partij bepaalde wetgeving tijdelijk tegen. Voor D66 is dat even zuur (of juist niet omdat D66 de VVD nu heerlijk kan bekritiseren als 'niet meer liberaal'), maar op langere termijn valt het allemaal reuze mee. Wat wel verandert door de SGP-gedoogsteun is die partij zélf. Ze ondergaat een ware metamorfose. Hoe ontwikkelde de SGP zich vanaf haar oprichting tot nu? En wat is er nu radicaal anders geworden?

Preekstoel
De SGP was in 1918 opgericht om de 'bevindelijk-gereformeerden' - ultraorthodoxe protestanten - van een stem te voorzien. Vanwege het in 1918 ingevoerde kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging, kon een kleine partij als de SGP ook in het parlement worden verkozen. Predikant G.H. Kersten, die van 1922 tot 1948 de SGP in de Tweede Kamer zou voorzitten, waarschuwde in felle bewoordingen tegen het Roomse gevaar. Hij speelde de rol van het orthodoxe geweten van de Antirevolutionaire Partij, één van de voorlopers van het CDA. De SGP, die altijd met twee of drie zetels in de Tweede Kamer vertegenwoordigd is, ademt continuïteit uit. Niet alleen het aantal zetels, maar ook de standpunten van de SGP lijken voor de buitenstaander constant te blijven.
Andere partijen namen de SGP niet serieus. Als Kersten sprak, gingen de andere Kamerleden aan de koffie en stond de SGP-leider voor een lege zaal. De SGP-stemmers vonden het best, politiek interesseerde ze toch weinig. Politiek bedrijven was voor hen getuigen vanaf de zijlijn. De eerste leidsmannen van de SGP beschouwden het spreekgestoelte in het parlement vooral als preekstoel.
Volgens de Italiaanse politicoloog Giovanni Sartori zijn alle politieke partijen, hoe klein en marginaal ook, relevant voor het politieke machtsspel. Hoewel de SGP-woordvoerders niet serieus werden genomen, was de partij in 1925 zeer relevant, toen het eerste kabinet-Colijn viel over het gezantschap bij de paus. De motie van SGP-leider Kersten werd uit opportunistische redenen gesteund door de socialisten en liberalen, die daarmee het kabinet een pootje wilden lichten. De hervormde Christelijk-Historische Unie steunde de motie ook, omdat deze regeringspartij bang was dat haar antikatholieke achterban anders zou weglopen. Kersten, die zijn motie bedoelde als een profetisch getuigenis, had niet verwacht dat hij zo veel succes zou hebben.
De SGP streefde een theocratisch ideaal na. Dit betekende in de SGP-optiek overigens niet dat kerk en staat moeten worden vermengd. De SGP was niet voor een kerkstaat en ook niet voor een staatskerk. Kerk en staat moesten niet worden gescheiden, maar wel worden onderscheiden. De overheid moest volgens de SGP een christelijke overheid zijn. Belangrijk in dit verband was het vasthouden aan het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dus ook aan de omstreden passage 'om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen'. SGP’ers waren om deze reden tegen de vrijheid van godsdienst. De vrijheid van geweten werd daarentegen geaccepteerd. Vervolging van andersgelovigen werd door de SGP niet gepromoot, maar het relativistische idee dat alle religies gelijk zijn en door de overheid gelijk dienen te worden behandeld, werd door de SGP fel bestreden.
Andere typische kenmerken van de SGP waren nationalisme, afwijzing van stemplicht en vrouwenkiesrecht en het verzet tegen aanpassing aan de tijdgeest in het algemeen. In haar afwijzing van het vrouwenkiesrecht stond de SGP in het interbellum overigens niet alleen. Ook de ARP wilde dit terugdraaien. Volgens de SGP had de overheid op moreel gebied een taak, maar mocht ze zich niet met de economie bemoeien. De SGP was tegen sociale verzekeringswetten en vaccinatiedwang. De partij verzette zich in de jaren dertig hevig tegen de crisiswetten en kwam sterk op voor de boeren en middenstanders. Volgens partijbiograaf Wim Fieret toonde de SGP zich hiermee een belangenpartij.
Kersten beschouwde de Duitse overheid als het door God aangestelde wettige gezag, waaraan men zich gehoorzaam aan diende te onderwerpen. Hij riep niet op tot verzet, maar tot gebed en verootmoediging. Kersten wilde dat de uitgeverij van zijn partijblad De Banier (in familie-eigendom) de oorlog zou overleven en knoopte daarom contacten met de Duitsers aan. Dit had tot gevolg dat de Commissie Zuivering Staten-Generaal hem na de oorlog de toegang tot de Tweede Kamer ontzegde De SGP geloofde echter heilig in de onschuld van haar leider. Na het proefschrift van Fieret uit 1990 zou de SGP haar standpunt hierover voorzichtig herzien.
De predikant Kersten werd als leider opgevolgd door de predikant Pieter Zandt, die nu vooral voortleeft als de naamgever van de bevindelijk-gereformeerde scholengemeenschap in Kampen. Zandt was minder fel dan Kersten en had last van spreekangst. Hij beklaagde zich vaak over het verval van Nederland en greep terug op het mythische calvinistisch Nederland van de zeventiende eeuw. Ook waarschuwde Zandt dikwijls tegen het wereldkatholicisme en pleitte hij voor de herinvoering van de doodstraf. Zandt was zo gezichtsbepalend voor de SGP, dat er vijf jaar na zijn overlijden in 1961 nog een journalist was die hem wilde interviewen. Na zijn dood liet Zandt een slecht georganiseerde partij achter.
In het naoorlogse Nederland was de SGP de enige partij in het parlement die stemde tegen de toetreding tot de Verenigde Naties in 1945, het verdrag van Rome in 1950 (EEG) en de protocollen van Parijs in 1952 (NAVO). De SGP was beducht voor supranationale organisaties omdat die de nationale identiteit van Nederland zouden bedreigen, die door het protestantisme gevormd zou zijn. De partij verzette zich daarnaast tegen de groeiende macht van de centrale overheid, met name tegen het Landbouwschap. In de jaren zestig kreeg de SGP concurrentie daarom van de Boerenpartij, die vooral de minder trouwe SGP-kiezers aantrok. Maar ook in andere kwesties voelde de SGP zich bedreigd door de centrale overheid. Dorpen in de zogenoemde Bible Belt met een SGP-meerderheid wilden het zwembad op zondag sluiten, maar werden door de rijksoverheid overruled. Theocratie op gemeentelijk niveau werd, zeker vanaf de jaren zestig, steeds onbereikbaarder.
De zwak georganiseerde SGP kwam in de jaren zestig en zeventig in woelige wateren. Er woedde een interne strijd tussen behouders en vernieuwers. De vernieuwers wilden dat de SGP een wat politieker en jonger gezicht kreeg. Ouderen en dominees domineerden de partij. Op SGP-bijeenkomsten werd er niet echt over politiek gesproken, maar vooral gepreekt. De vernieuwers probeerden via voorkeurstemmen enkele ‘progressieve’ SGP’ers hoger op de lijst te zetten. Dit was zeer ongebruikelijk, omdat de SGP-achterban bekend stond als volgzaam en zeer gezagsgetrouw. De hervormde predikant H.G. Abma - die van 1963 tot 1981 in de Tweede Kamer zat en van 1961 tot 1985 voorzitter van de SGP was - behoorde ook tot de vernieuwende vleugel. Hij probeerde de SGP een wat vriendelijker gezicht te geven – wat minder hel en verdoemenis - en zich losmaken uit het isolement waarin de partij verkeerde. Bij Kersten draaide het om de bevindelijk gereformeerden als een aparte uitverkoren geloofsgroep, die door de boze buitenwereld werd bedreigd. Abma werkte samen met de andere orthodox-protestantse partij in het Nederlandse parlement, het Gereformeerd Politiek Verbond. In 1980 diende hij samen met GPV’er dr. A.J. Verbrugh een – overigens kansloos - initiatiefwetsvoorstel in, dat beoogde abortus absoluut te verbieden. De rekkelijke Abma stuitte echter op grote oppositie en moest het veld ruimen.
In 1981 kwam ir. B.J. van der Vlies in de Tweede Kamer, die in 1986 fractievoorzitter werd. Hij behoorde weer tot de behoudende vleugel van de partij, hoewel zijn parlementaire optreden zeer zakelijk was. Voor de meest behoudende groep binnen de SGP, verenigd in de Landelijke Stichting ter Bevordering van de Staatkundig Gereformeerde Beginselen die het blad In het spoor uitgeeft, week de SGP onder leiding van Van der Vlies dan ook af van het enige ware spoor van Kersten en Zandt. De verzakelijking leidde ook tot meer waardering van de kant van de buitenwacht. Al vond men de SGP-standpunten over theocratie, homoseksualiteit en vrouwenemancipatie maar zozo, buitenstaanders waardeerden Van der Vlies - het afgelopen decennium de nestor van de Tweede Kamer - om diens constructieve politieke opstelling en diens pleidooi voor parlementair fatsoen. Ria Beckers van GroenLinks noemde Van der Vlies ooit 'een schatje met een hoog knuffelgehalte'.

Barricaden
SGP’ers hadden altijd al het gevoel gehad, vreemdelingen te zijn in eigen land, maar dit gevoel werd in de jaren negentig heel sterk, toen de paarse kabinetten Kok-I en II Nederland regeerden. Met name de legalisatie in 2001 van het homohuwelijk en de euthanasie, door de SGP te vuur en te zwaard bestreden, was een zware nederlaag. De politici van SGP en ChristenUnie protesteerden fel, maar met hun bezwaren werd in het debat nauwelijks rekening gehouden en ze werden bovendien van intolerantie beschuldigd. Toen de centrale overheid tijdens de MKZ-crisis dat jaar ook nog eens besloot om zo’n 200 bedrijven in de buurt van het Gelderse dorp Kootwijkerbroek te ruimen, was de maat vol. Boze boeren hielden de ruimingsploegen van de Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees (RVV) tegen en raakten slaags met de ME. Maar in plaats van dat de SGP net als in de Tweede Wereldoorlog het overheidsgezag verdedigde en opriep tot verootmoediging en gebed, sprong de strijdbaar geworden partij nu voor de boeren op de bres.
Naar aanleiding van de rellen filosofeerde SGP-senator Gerrit Holdijk over het zogenaamde ‘recht van opstand’. In de zestiende eeuw had Calvijn hierover een theorie ontwikkeld, waardoor gezagsgetrouwe gereformeerden zonder gewetensbezwaren zich tegen een ‘antichristelijke’ overheid konden verzetten. De paapse tirannie van de zestiende eeuw was een paarse tirannie geworden. Het feit dat de paarse kabinetten democratisch tot stand waren gekomen en calvinisten niet naar de brandstapel werden gebracht maar in alle vrijheid hun godsdienst konden belijden, deed daar niets aan af.
De paarse kabinetten hebben voor een cultuuromslag bij de SGP gezorgd. SGP’ers klommen een voor een de preekstoel af, en gingen de barricaden op. Het profetische getuigenis in de Kamer was onvruchtbaar gebleken, voor politieke successen moest echt geknokt worden. De weg van het isolement was een doodlopende. Politieke journalist Bart Jan Spruyt van het aan de SGP verbonden Reformatorisch Dagblad richtte in 2000 de Edmund Burke stichting op, een denktank die christelijke en niet-christelijke conservatieve krachten wilde bundelen tegen de paarse en progressieve dominantie. Vooral onder SGP-jongeren sloeg Spruyt aan. Zij gingen zich conservatief of christelijk-conservatief noemen en namen ook Spruyts polemische stijl over.
Nestor Van der Vlies was de knuffelbeer van de Tweede Kamer. De SGP van nu lijkt hier in de verste verte niet meer op, behalve misschien op Lotso, de roze beer uit de Pixar-animatiefilm 'Toy Story 3' die anderen met zijn trauma's en zwart-witte wereldbeeld wil opzadelen. De SGP van nu zit vol rechts ressentiment. De nieuwe generatie vernieuwers wil niet alleen dat de partij weer wat politieker en jonger wordt, maar wil de SGP het liefst omvormen tot een christelijk-conservatieve partij, die de strijd moet aangaan met links, liberaal en islamitisch Nederland.
De identiteit van de SGP was natuurlijk altijd al christelijk en conservatief. Het christelijke element was lange tijd dominant, maar dankzij Spruyt en de SGP-jongeren nu krijgt het conservatisme de overhand. Weg met het machteloze getuigenispartijtje, leve het kloppend hart van het conservatieve verzet tegen de linkse jaren zestig en de paarse, seculiere jaren negentig. Nu Nederland als gevolg van de populistische Pim Fortuyn en de polariserende Geert Wilders enorm is verrechtst, ziet de nieuwe generatie SGP'ers haar kans schoon. Zij zijn zich zeer bewust van de nieuwe machtspositie van hun partij in het politieke spel.
Bij nieuwe tijden hoort een nieuw vijandsbeeld. Tot ver in de jaren zestig was de grote tegenstrever van de SGP Rome en alles wat katholiek was, nu hebben de progressieve partijen en vooral de islam die rol overgenomen. Met de komst van nieuwe vijanden heeft de SGP andere allianties nodig. Van de weeromstuit kunnen SGP'ers samenwerken met oude vijanden.
Conservatieve katholieken zijn plotseling bondgenoten geworden. Toen begin 2010 verscheidene vooruitstrevende katholieken én PvdA-voorzitter Lilianne Ploumen protesteerden tegen een behoudende priester die homoseksuelen de hostie weigerde, sprong niet het CDA maar de SGP meteen voor hem in de bres. De godsdienstvrijheid zou door agressieve seculieren worden bedreigd. Ook Mariska Orbán, hoofdredacteur van het orthodoxe Katholiek Nieuwsblad en onorthodox bestrijder van abortus provocatus, is een bondgenoot. Ze was eregast op Refo500, het door de christelijk-gereformeerde Theologische Universiteit van Apeldoorn tien jaar durende festijn ter herdenking van de Reformatie van 1517. Ten slotte is de SGP erg gecharmeerd van Amanda Kluveld. Deze voormalig vrijzinnige vrouw heeft zich mede dankzij haar contacten met Spruyt tot het conservatieve christendom bekeerd. Als een ware bekeerlinge is ze gepassioneerd en fel. In de Volkskrant schrijft ze niet alleen over het lijden en sterven van vervolgde christenen in het buitenland, maar bovendien haalt ze hard uit naar moslims, die bij haar ‘toevallig’ altijd de vervolgers zijn. Begin 2012 heeft ze van de Guido de Brès Stichting, het wetenschappelijk instituut van de SGP, een beurs gekregen, om een onderzoek naar christenvervolging en godsdienstvrijheid te doen.
Met oude bondgenoten loopt de samenwerking stroever. De ChristenUnie, lange tijd de beste politieke vriend van de SGP, werd tijdens de Eerste Kamerverkiezingen van mei 2011 onbarmhartig gedumpt. De SGP had liever een sleutelrol in de senaat, dan dat de kleine christelijke partijen er een zeteltje bij kregen. De ChristenUnie is bovendien in de ogen van SGP'ers veel te links. Nu ‘rooie’ André Rouvoet echter plaats heeft gemaakt voor de kleurloze Arie Slob en het ideologische debat in de ChristenUnie wordt beheerst door de islamkritische Gert-Jan Segers, is hernieuwde samenwerking in de toekomst echter beslist niet uitgesloten.
De partij die nu het dichtst bij de SGP staat, is de PVV. Beide partijen zijn anti-links, anti-islam en pro-Israël. Kees van der Staaij, die Bas van der Vlies in 2010 heeft opgevolgd als partijleider, was de eerste politicus die Geert Wilders openlijk zijn steun aanbood voor een nieuw te vormen kabinet. De SGP wilde meteen een VVD-PVV-CDA-kabinet, terwijl het CDA hier erg over liep te twijfelen en Mark Rutte ook 'paars plus' wilde uitproberen. Deze Een jaar eerder had de SGP bij monde van Van der Staaij een anti-minarettenmotie verdedigd. Islamitische minaretten zouden, in tegenstelling tot christelijke kerktorens, niet passen bij het Nederlandse landschap, ‘vervreemd werken’ en de ‘Nederlandse identiteit’ aantasten. Dat Van der Staaij zich beriep op de ‘Nederlandse identiteit’ en niet op artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is opvallend en veelzeggend. Niet een calvinistische theocratie maar een christelijk nationalisme is troef. Niettemin houdt de SGP toch enige afstand tot de PVV, die ondanks haar conservatieve imago ook enkele liberale standpunten heeft. De PVV staat pal voor de rechten van homo’s en lesbiennes, iets waar een rechtgeaarde SGP’er alleen maar van kan gruwen.
Vroeger was de SGP isolationistisch en defensief, de SGP van nu is opener en offensiever. Vooral bij de SGP-jongeren merk je de cultuuromslag. De SGP telt nu de grootste politieke jongerenorganisatie van het land, en deze jongeren zijn mondiger dan ooit. Omdat bevindelijk-gereformeerde dominees wel de televisie maar niet het internet in de ban hebben gedaan, zitten veel SGP-jongeren (en ook steeds meer ouderen) op twitter, alwaar ze zich - al dan niet met open vizier - in volle geestelijke wapenuitrusting (Efeze 6:10-18) op de islamitische en vrijzinnige vijanden storten. Toen er in februari 2012 De Balie in Amsterdam een debat werd georganiseerd met de radicale imam Al-Haddad, twitterde Wouter van de Berg, lid van het landelijk bestuur van de SGPJ: “De imam gaat zo vertellen dat hij D66 stemt. #debalie”.
Behalve aan twitter doen SGP-jongeren mee aan forums en aan Facebook. Ze spuien hierop niet alleen hun mening, maar vormen tevens eigen virtuele gemeenschappen. Deze communities zijn soms alleen gericht op de eigen zuil zoals Refoweb, maar er bestaan ook bredere (christelijk-)conservatieve gemeenschappen als BitterLemon (inmiddels ter ziele), De Dagelijkse Standaard, de Dutch Teaparty, en Politant. Naast virtuele communities ontstaan er ook echte. SGP’er Wilco Boender, beter bekend onder zijn bloggerpseudoniem ConservatieForever, is één van de oprichters van het Conservatief Café (samen met CDJA’er Rutger Schimmel en de jonge journalist Frank Verhoef) en is daarnaast betrokken bij het Christelijk Conservatief Beraad.
Binnen de nieuwe conservatieve gemeenschappen zijn de SGP'ers trouwens wel de meest fatsoenlijke mensen. Het zijn de vrienden van de SGP die voor de ketelmuziek zorgen. Kluveld roept met haar columns wekelijks woedende reacties op, Orbán schopte stennis met haar open brief aan VVD-Kamerlid Jeanine Hennis, en Schimmel werd virtueel aan de schandpaal genageld naar aanleiding van zijn beruchte tweet: "Daarbij is een ieder die schrijft voor Joop (opiniewebsite van de VARA) de Nederlandse zuurstof niet waard."
Wellicht zorgt de oude SGP-cultuur van isolationisme voor een zekere voorzichtigheid: SGP’ers zijn nu weliswaar mondiger dan vroeger, maar ze huiveren nog steeds een beetje voor de boze buitenwereld. Hun conservatieve vrienden zijn ongeremder.

Emancipatie
De SGP is geregeld in het nieuws. Voordat de partij gedoogpartner werd, ging dit nieuws het vaakst over met de zogenoemde vrouwenkwestie. De SGP was tegen vrouwen in de politiek, en legde in 1993 in de statuten vast dat vrouwen geen lid mochten worden. Onder druk van de rechter en de vernieuwende vleugel van de partij stelde de SGP in 2006 het lidmaatschap open voor vrouwen, hoewel vrouwen uitgesloten bleven voor politieke ambten. Voor het feministische Clara Wichmann Instituut was dit niet genoeg en stapte naar de rechter. Hij eiste dat de SGP haar statuten helemaal moest wijzigen en vrouwen het passief kiesrecht moest geven, anders moest de subsidie aan de partij worden stopgezet. Het ingewikkelde politiek-juridische steekspel is nog steeds niet voorbij.
Het is de vraag of de externe druk van het Clara Wichmann Instituut succes heeft, of juist contraproductief werkt. Aan de ene kant heeft de SGP mede onder druk van buiten het lidmaatschap nu opengesteld, maar aan de andere kant zijn er ook SGP’ers die in reactie op de druk van progressieve en seculiere zijde willen vasthouden aan de status quo, niet omdat ze tegen vrouwen in de politiek zijn, maar omdat ze voor het ‘recht’ van een kleine religieuze minderheid zijn om eigen regels te maken.
Hoewel de SGP dus bepaald niet geëmancipeerd is in feministische zin, heeft de partij zich in sociologische zin wel degelijk geëmancipeerd. De SGP begon als een in zichzelf gekeerde getuigenispartij en ontwikkelde zich, vooral vanaf de jaren nul, in een naar buiten toe tredende politieke partij die niet vies is van macht. Nogmaals, de SGP is geen poldertaliban. SGP-jongeren delen oranjebitter uit om D66'ers te plagen. Ze binden geen bomgordel om, ze duwen niet als de Bijbelse held Simson twee zuilen omver, zodat het hele gebouw instort en alle vijanden worden verpletterd. SGP'ers zijn in de eerste plaats conservatieven, geen fundamentalisten. Hun partij heeft een gedaanteverwisseling ondergaan door veranderingen die de hele Nederlandse samenleving raken, de rechtse reactie op paars en de islam, en als gevolg van ingrijpende veranderingen in eigen kring, vooral het internetgebruik.
Ondanks haar geringe omvang is de SGP geen margeverschijnsel meer. Dankzij de gedoogsteun aan het kabinet-Rutte en de internetactiviteiten van haar jongeren is de partij een belangrijke steunpilaar geworden van de rechtse kerk in aanbouw, die in de (nieuwe) media en politiek het stokje van de wankelende linkse kerk poogt over te nemen. De vraag is natuurlijk, wat de toekomst brengt. De open houding is niet zonder risico’s, en zou wel eens kunnen leiden tot de (onvermijdelijke?) secularisatie.

dinsdag, februari 28, 2012

Heeft Marcouch gelijk?

Heeft Marcouch gelijk?

Door: Ewout Klei

Gisteren las ik in Het Parool een vlammende column van Theodor Holman over PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch, die voor RTV N-H beweerde dat de Hogeschool van Amsterdam niet zo moeilijk moest doen over islamitische gebedsruimtes. Holman was fel tegen islamitische gebedsruimtes, niet alleen omdat de HvA een neutrale school was, maar ook omdat moslimstudenten de ruimte zouden misbruiken om de emancipatie van moslima’s tegen te houden. Holman beriep zich op rector Jet Bussemaker, die voor de radio had gezegd dat moslima’s hierover bij haar hadden geklaagd en de HvA daarom besloten had om een einde te maken aan de speciale islamitische gebedsruimte.
We zijn het hopelijk wel allemaal met elkaar eens, dat als een bepaalde ruimte in de school door studenten misbruikt wordt voor andere doeleinden (het tegenhouden van emancipatie, maar je zou ook kunnen denken aan een ruimte om stiekem wiet te roken), de school dan natuurlijk het recht heeft om deze ruimte voor studenten te sluiten. Maar mag er op openbare scholen dan helemaal geen ruimte zijn voor religie? Dat is een veel lastigere vraag.
Op de HvA is er wel ruimte voor moslims die dat willen om te bidden. Ze hebben echter geen aparte gebedsruimte, maar kunnen nu bidden bij het trappenhuis van het gebouw Leeuwenburg bij de Amstel. Heel privé lijkt mijn zo’n ruimte niet, en ik kan mij goed voorstellen dat het veel fijner is om te bidden in een aparte ruimte. De vraag is, of een openbare school hier ruimte voor moet verlenen.
Een principieel tegenargument tegen een aparte gebedsruimte voor moslims is, dat als er een ruimte voor moslims is, er ook een ruimte moeten komen voor christenen, joden, boeddhisten, hindoes en pastafarianisten, als zij tot hun God/goden/monster willen bidden. Een school zou niet één, maar een heleboel gebedsruimtes moeten inrichten, en omdat er zo veel religies zijn wordt zo’n onderneming een beetje duur, en moeten moslims er daarom maar genoegen mee nemen dat ze onder het trappenhuis moeten gaan bidden.
Een ander principieel tegenargument, dat nog veel verder gaat, is dat er op een openbare school helemaal geen ruimte voor religie mag zijn. Holman hangt dit standpunt aan, en vindt een gebedsruimte voor moslims een aantasting van de scheiding tussen kerk en staat. Marcouch noemde de ‘antireligieuze’ houding van Bussemaker ‘een beetje jaren zestig’. Holman hekelt deze opmerking en zegt dat Marcouch terug wil naar het jaar 600 (Holman bedoelt wellicht het jaar 622, het begin van de islamitische jaartelling) en beschuldigt de PvdA-parlementariër hiermee impliciet van een theocratische agenda.
Tegen bovenstaande argumenten kan worden ingebracht, dat eigenlijk alleen maar de moslims behoefte hebben aan aparte gebedsruimtes, omdat joden, christenen een aanhangers van het Vliegend Spaghettimonster niet verplicht zijn om een paar keer per dag met hun hoofd in de richting van hun heilige stad te bidden. Dat alleen moslims een gebedsruimte krijgen, is in die optiek eigenlijk niet zo slecht.
Het is ook heel pragmatisch. Ik weet niet hoeveel moslims er op de HvA zitten en hoeveel moslims eigenlijk behoefte hebben om een gebedsruimte te bezoeken, maar als dit er heel veel zijn, dan is het wel zo aardig van de school, om rekening met deze behoefte te houden. Met andere behoeften van leerlingen, de behoefte om te sporten of een leuk boek te lenen, wordt wel goed rekening gehouden en daar zijn wel aparte faciliteiten voor, namelijk de sportzaal en de bibliotheek.
Ten slotte, en dit is niet door mij ontdekt maar door de anti-Wilderswebsite Krapuul, is de HvA helemaal niet zo religieneutraal, en verwijst de website van de Hogeschool wel naar het christelijke studentenpastoraat dat uitgaat van de Protestantse Kerk in Nederland. Volgens Krapuul maakt de HvA zich schuldig aan ‘moslimpesten’. Ik zou dit niet meteen willen concluderen, maar ben het wel met de anti-Wilderswebsite eens dat de ongelijke behandeling van religies niet kies is.
Heeft Marcouch gelijk? Als de eigenlijke reden om de gebedsruimte voor moslims te sluiten het misbruik van de ruimte door enkele vrouwonvriendelijke fanatici is, dan valt de handelswijze van de HvA goed te verdedigen. In de toekomst zou er echter wel weer ruimte mogen/moeten komen voor een gebedsruimte, omdat zo’n plek wellicht voorziet in een behoefte van een (groot?) deel van de studentenpopulatie. Om dezelfde reden heb ik ook niet zo’n moeite met een verwijzing naar het studentenpastoraat op de HvA-website. De Hogeschool dient er echter wel wijs aan te doen, alle levensbeschouwingen en religies gelijk te behandelen en dit naar buiten toe helder te communiceren. Zeker in deze tijden van polarisatie, waarbij elk nieuwsberichtje over moslims leidt tot pavlovreacties bij politici, is het van groot belang dat bestuurders zich niet gek laten maken en behalve principieel (ten aanzien van gelijke behandeling) ook een beetje pragmatisch kunnen zijn. Ik neig – met een zeker voorbehoud - dus toch naar het standpunt van Marcouch.

zaterdag, februari 18, 2012

Hashtag Haatbaard

Hashtag Haatbaard

Door Ewout Klei

Internet is een geweldig medium. Niet alleen kun je livestream debatten volgen, maar daarnaast kun je via twitter het commentaar van anderen op dit debat meteen meelezen. Vrijdagavond 17 februari volgde ik vanuit mijn luie leunstoel half het debat van de radicale islamgeleerde Haitham al-Haddad met GroenLinks-politicus Tofik Dibi en parlementair journalist Kustaw Bessems van De Pers.
Het debat was niet onomstreden. Haitham al-Haddad was uitgenodigd door een islamitische studentenvereniging om aan de Vrije Universiteit van Amsterdam te komen spreken. Omdat Al-Haddad een antisemiet zou zijn die onderdrukking van vrouwen zou propageren, hadden enkele partijen in het parlement grote bezwaren tegen zijn komst. In reactie op deze commotie besloot de VU-leiding dat het niet zou doorgaan, in ieder geval niet in het gebouw van de universiteit. Debatcentrum De Balie wierp zich vervolgens op als centrum van het vrije woord, en besloot de beste man wel uit te nodigen. De zaal was uiteraard snel uitverkocht, een aantal websites probeerde het debat livestream uit te zenden, en politiek geïnteresseerden twitterden al enkele uren voor de aanvang van het debat in ongezouten bewoordingen over Al-Haddad. Femke Halsema noemde hem een ‘malloot’ en veel vaker nog zag ik in mijn timeline de term ‘haatbaard’ verschijnen, die dikwijls voorzien was van een hashtag.
Het debat zelf was eigenlijk geen debat. In een echt debat probeert men de ander te overtuigen, en doet men ook zijn best de ander te begrijpen. In de balie vonden preken voor eigen parochie plaats, exercities van ‘Kijk mij eens moreel superieur zijn in vergelijking met de ander’. Al-Haddad hielp zijn opponenten in hun verlichte zelfbevestiging, door zijn ferme en soms curieuze uitspraken, de meest curieuze was wel dat veel westerse vrouwen die overspel hadden gepleegd hem vertelden graag naar een islamitisch land af te willen reizen, om te worden gestenigd. Het is denk ik een algemeen menselijk behoefte, ook van mijzelf soms helaas, om je eigen identiteit te definiëren door het zich afzetten tegen de ander. De communisten hadden hiervoor de kapitalisten en later de trotskisten uitgevonden, de progressieven Staphorst (Jan Joost Lindner) en orthodoxe protestanten D666 (naar het getal van het Beest). Heel koosjer/halal vind ik deze oefening in zelfbevestiging nou niet bepaald. Je bereikt er niemand mee, alleen de reeds overtuigden worden door je verhaal overtuigd.
In de ogen van de meeste Nederlanders staat Al-Haddad symbool voor achterlijkheid, onverdraagzaamheid en haat. Voor te veel Nederlanders valt dit nog steeds samen met ‘de’ islam, een religie die ‘in wezen’ intolerant en geweldig is en middels een ‘tsunami van islamisering’ ons land wil omtoveren in Hollandistan, en ons werelddeel in Eurabië. Al-Haddad is hun ogen Der ewige Muslim, om even een godwin te gebruiken die wel relevant voor de discussie is. De meeste mensen in mijn timeline konden de boodschap van Al-Haddad gelukkig genoeg wel onderscheiden van de islam, een religie van mensen met veel verschillende meningen. Het onderscheiden van mensen en meningen bleek helaas moeilijker. Niet alleen de mening van Al-Haddad was fout, ook de mens Al-Haddad was fout. Hij moest met de term #haatbaard worden gedehumaniseerd. Enigszins begrijpelijk, Al-Haddad ziet er eerlijk gezegd nou niet bepaald uit als een man bij wie ik als kind op schoot zou willen zitten, of als vrouw de echtelijke sponde mee zou willen delen, maar toch ook verontrustend. Heb je zulke mensen nu echt nodig, om jezelf beter te voelen? Kunnen we niet geloven in de kracht van democratie, vrije wetenschap en mensenrechten, zonder dat we ons obligatoir moeten afzetten tegen andersdenkenden?
In een extreem conservatief land als Saoedi-Arabië is de mening van Al-Haddad wellicht mainstream, in de meeste moslimlanden niet, vermoed ik zo. We kunnen wel heel verontwaardigd doen over zijn mening, maar dat is in Nederland niet zo relevant, omdat zijn mening hier marginaal is. Dat het debat een uitverkochte zaal opleverde, had niets te maken met de behoefte aan een echt debat, maar met behoefte aan sensatie, aan iets exotisch. Honderd jaar geleden bezochten mensen het circus vanwege de dwergen en de vrouw met de baard, en men zei tegen elkaar op de terugweg: ‘Goddank, wij zijn gelukkig normaal’. We zijn nu niet veel anders, we bezoeken tegenwoordig De Balie om naar Al-Haddad te kijken, en twitteren #haatbaard. Mocht Al-Haddad volgend jaar weer Nederland een bezoek vereren, dan stel ik voor dat in Artis te doen of in het Rotterdamse Blijdorp, gezellig met Bokito.

Ewout Klei is politiek historicus

maandag, februari 06, 2012

Stellingen + antwoorden politiek café Den Haag

Hieronder kleine intellectuele vingeroefening, als voorbereiding op het politiek café in Den Haag, op maandag 6 februari 2012, Haagse Kluis, Plein 20 Den Haag.

Zie: https://www.facebook.com/events/368037153212431/

Wat is voor u de definitie van een Seculiere Staat?
Een staat die neutraal is, en de verschillende levensbeschouwingen principieel gelijk behandelt, en ook religieuze mensen niet bevoordeeld ten opzichte van niet-religieuze mensen.

Hoe zou dit naar uw mening tot uiting kunnen komen in onze huidige maatschappij?
In Nederland werd het protestantisme eeuwenlang bevoordeeld. Pas in 1853 kregen katholieken gelijke rechten, en pas in 1983 werd de historische band tussen de Nederlandse staat en de Nederlandse Hervormde Kerk definitief doorgesneden. Hoewel de neutrale staat in Nederland bijna af is, zitten er op dit moment echter nog steeds theocratische trekjes in ons staatsbestel. Die moeten worden opgeruimd.
Daarnaast moet de overheid uiterst voorzichtig zijn met betrekking tot religieuze organisaties die overheidssteun willen. Op zich ben ik daar niet principieel tegen. Als een religieuze organisatie bijdraagt aan het algemeen nut, kan de overheid dit een beetje ondersteunen. Religieuze organisaties die niet bijdragen aan het algemeen nut, en organisaties die discrimineren of een bedreiging zijn voor de volksgezondheid, mogen geen subsidie krijgen.

En op welke manier?
T.a.v. de theocratische restjes: we moeten af van de bede in de troonrede, het ´God met ons´ op de Euro, het feit dat de koningin een kersttoespraak houdt, het verbod op ´smadelijke godslastering´, het feit dat in veel gemeenten de winkels op zondag vaak gesloten moeten blijven.
T.a.v. religieuze organisaties: ik heb geen moeite met steun aan monumentale kerken en moskeeën, die een grote culturele/historische waarde hebben. In zekere zin zijn die gebouwen van ons allemaal.
Ik heb wel grote moeite met subsidie aan organisaties die discrimineren of een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Ik denk hierbij aan Youth for Christ, die alleen christelijke jongerenwerkers aanneemt, en Different, die homo’s wil genezen.
Wat we niet moeten: de National Secular Society spant dure rechtszaken aan, om o.a. het ambtsgebed te verbieden. Hoewel ik tegen het ambtsgebed ben, vind ik dat zeker in deze tijden geld wel aan nuttigere dingen kan worden besteed, bijvoorbeeld aan armoedebestrijding, subsidie aan wetenschap en kunst etc. Doel heiligt niet de middelen.

Bedreigt een seculiere samenleving de godsdienstvrijheid?
Nee. Seculier is niet hetzelfde als antireligieus. In voormalige communistische landen mochten christenen en moslims hun geloof vaak niet in vrijheid beleven. In een seculiere samenleving is er voor alle gelovigen en ongelovigen dezelfde ruimte. Fundamentalistische gelovigen zien dit natuurlijk anders. Zij willen een theocratie en discriminatie van andersdenkenden. Dat is voor hun godsdienstvrijheid.

Is een Christelijke staat te vergelijken met een Islamitische Staat qua legitimiteit?
Ja. Een christelijke staat en een islamitische staat gaan allebei uit van de gedachte, dat niet de democratie en de rechten van de mens bepalend zijn, maar de wil van God/Allah. Voorstellen waar wel een meerderheid voor te vinden is, maar die niet in overeenstemming zijn met de wil van God/Allah, mogen van een religieuze staat nooit wet worden. De wet moet altijd in overeenstemming zijn met de wil van God/Allah.
Een christelijke of islamitische staat geeft christenen respectievelijk moslims meer politieke rechten, dan andersdenkenden. De islamitische mensenrechten stellen, dat de sharia boven alles gaat. In veel moslimlanden, worden levensbeschouwelijke minderheden (christenen, aanhangers van het Bahaigeloof, aanhangers van Zarathustra, Ahmaddiya-moslims, openlijke atheïsten) gediscrimineerd en soms zelfs vervolgd.
De Staatkundig-Gereformeerde Partij op haar beurt houdt vast aan de oude tekst van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin staat dat het de taak van de overheid is “om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen”. De SGP is niet voor vervolging van andersdenkenden, maar vindt wel dat zij hun overtuiging niet al te openlijk mogen belijden. Vroeger was de partij voor verbod op katholieke processies (in 1983 is dit verbod pas ingetrokken), tegenwoordig wil de partij een verbod op de bouw van islamitische minaretten.
De SGP-staat is een utopie, maar in Hongarije is zo’n staat realiteit geworden. Hongarije heeft een christelijk-conservatieve regering, met een christelijk-conservatieve grondwet, waarin andersdenkende minderheden minder rechten hebben. De regering erkent alleen nog maar de orthodox-christelijke en orthodox-joodse gemeenschappen, niet de islamitische, boeddhistische, vrijzinnige, humanistische en andere gemeenschappen. Ook worden openbare scholen opeens christelijk, en worden leerlingen gedwongen om aan godsdienstoefeningen mee te doen (Lajos Mojar op de meeting van The European Parliament Platform for Secularism in Politics). Om Bart Jan Spruyt voor te zijn: de kritiek op Orbán komt van onafhankelijke instanties. De Europese Commissie is een officiële inbreukprocedure gestart tegen de aantasting van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, constitutioneel experts van de Raad van Europa hebben kritiek op de Grondwet en de manier waarop die in razend tempo door het parlement is gedrukt, de OESO ten slotte hekelt de beperking van de persvrijheid.

Kan een Staat in absolute zin neutraal zijn?
Nee. Absolute neutraliteit is onmogelijk. We zijn mensen en we zijn altijd een beetje subjectief. De wetenschap is ook niet 100% neutraal. We moeten in de politiek, net als in de wetenschap, wel streven naar neutraliteit, omdat we anders zijn overgeleverd aan willekeur. Ik verschil hierin van mening van GroenLinks-ideoloog Dick Pels, die de het streven naar neutraliteit heeft opgegeven. Volgens Pels is absolute neutraliteit onmogelijk en hoort een beroep op de absolute waarheid niet in het politieke discours thuis. De kracht van de democratie, is de kracht van het relativeren. Omdat relativisme volgens Pels beter is dan het absolutisme, pleit hij voor een ‘absolutistisch relativisme’ en een niet-neutrale staat die het ‘vrijzinnig paternalisme’ uitdraagt. Met dit laatste bedoelt Pels een relativistische vrijzinnigheid, die door de overheid met zachte dwang aan de absolutistische orthodoxe gelovigen moet worden opgelegd. Hoewel ik de intenties van Pels begrijp en tot op zekere hoogte ook wel deel, ben ik toch een beetje voorzichtiger. Woorden als paternalisme en absolutisme roepen bij mij een sterke weerzin op, ook als ze door Pels worden verbonden met begrippen die eigenlijk het tegengestelde inhouden, vrijzinnigheid en relativisme. Ik denk dat een overheid moet streven naar neutraliteit, ook als zoiets als de absolute neutraliteit en de absolute waarheid niet bestaan. De overheid moet een beetje voorzichtig zoeken, in plaats van te kiezen voor de gemakkelijke weg van de vrijzinnig-paternalistische willekeur, net als een christelijke of islamitische staat theocratische en totalitaire trekjes vertoont. Wellicht ben ik ook te veel D66’er, dat ik op mijn hoede ben voor ideologieën, ook al noemen deze zichzelf vrijzinnig.

Waar ligt de scheiding van de Seculiere Staat?
- Samenleving versus religieuze gemeenschappen
- Religieuze symbolen (hoofddoeken in publieke functies maar ook het dragen van andere zichtbare religieuze uitingen)

Heel lastig. Ik vind dat minderheden het recht hebben om hun geloof op hun manier te uiten, maar dat de overheid geen cent mag uitgeven aan religieus gelegitimeerde discriminatie. Dat soort dingen moeten maar uit particuliere middelen worden betaald, en als het al te erg is (ik denk aan openlijke homohaat of aan antisemitisme) moet het zelfs worden verboden.
Het niveau van het onderwijs doet er ook toe. Scholen waar kinderen bewust met pseudowetenschappelijke onzin worden geïndoctrineerd, ik denk aan het creationisme op orthodox-christelijke scholen of de antroposofie van Rudolf Steiner op de Vrije School, mogen geen cent subsidie meer krijgen. Ik vind niet dat christelijke scholen per se een homoseksuele leraar moeten aannemen, als ze daar heel erg tegen zijn. Wel vind ik dat zo’n school dan het recht op subsidie heeft verspeeld. De minderheden onder de minderheden (christelijke homoseksuelen, afvallige moslims en dergelijke) moeten ook op de overheid kunnen rekenen, als niemand om ze denkt.
T.a.v. religieuze symbolen: openbare instellingen en overheidsinstellingen dienen neutraliteit uit te stralen. De vraag is echter of een rechter of ambtenaar van de burgerlijke stand die een hoofddoek of een tulband draagt, per se onpartijdig is. Het is volgens mij een persoonlijke keus, die we moeten respecteren. Het is wat anders als er in het gerechtsgebouw een kruis hangt, zoals in veel katholieke landen het geval is, of als ambtenaar van de burgerlijke stand weigert om homo’s te huwen en dus weigert de wet uit te voeren. Dan is de overheid partijdig.
Het boerkaverbod vind ik heel lastig. Aan de ene kant is het symboolwetgeving, puur ingegeven om de islamofobe PVV te pleasen. Aan de andere kant, de boerka zoals vrouwen die dragen in Afghanistan en Pakistan, is zelf ook een symbool van fundamentalisme en seksuele vernedering van de vrouw. Ik neem dan ook met kracht afstand van Karin Dekker en Ineke van Gent, de quasifeministen van GroenLinks, die uit protest tegen het boerkaverbod een boerka aan wilden trekken. Dan sla je door naar de andere kant. Toch ben ik tegen boerkaverbod, want vrouwen ‘zeggen’ dat ze dit ‘vrijwillig’ aantrekken. Hier kun je niets tegen zeggen. T.a.v. SGP speelt er weer iets anders: daar bestaat een officieel verbod voor vrouwen om verkozen te worden.
Vanuit orthodox-christelijke hoek wordt de discussie tegenwoordig geframed in de tegenstelling tussen de ‘slechte seculiere meerderheid’ versus de ‘zielige orthodox-religieuze minderheden’. De suggestie is, dat seculiere, links-liberale mensen niet tolerant zijn, vooral niet tegenover orthodoxe christenen, en daarom eigenlijk niet verschillen van PVV’ers. Orthodoxe christenen discrimineren nooit, dat doen de seculieren. Christenen, aldus deze calimeroredenering, mogen in het seculiere Nederland eigenlijk niet meer vinden wat ze vinden. Daarom moeten ze juist nu extra antithetisch zijn en getuigen. Het Griekse woord voor getuige is martyr, waar ons woord voor martelaar van is afgeleid. Door te getuigen krijgen orthodoxe christenen kritiek, worden ze martelaar, en worden ze in hun grote gelijk, namelijk dat zij zielig zijn en worden vervolgd, bevestigd.
In de discussie over Different besteedden het Nederlands Dagblad, het Reformatorisch Dagblad en de EO alleen maar aandacht aan de positieve verhalen over Different, en deden kritiek op deze organisatie af als een seculiere kruistocht tegen de christelijke orthodoxie. Dat Different zogenaamd ‘genuanceerd’ denkt over homoseksualiteit en homohealings afwijst is van zeer recente datum, want in allerlei foldermateriaal en op hun opiniewebsite Habakuk is men wel zeer eenzijdig negatief. Homoseksualiteit werd door Krijn de Jong op één hoop geveegd met pedoseksualiteit en Henk van Rhee had bezwaar tegen kerken die een manifest ondertekenden tegen geweld tegen homo's. Een paar dagen geleden is de link naar Different Vlaanderen verwijderd. Different Vlaanderen beweert dat homofilie het gevolg is van omgevingsfactoren, en dus kan worden veranderd. Different Nederland is alleen ‘genuanceerd’ voor de bühne. Het ware gezicht van Different is net als het ware gezicht van Dorian Gray verstopt in een donkere kamer, achter een sluier.
Een ander verwijt aan het adres van de seculieren, onder andere verwoord door Erica Meijers van GroenLinks en met gulzige gretigheid opgepikt door het Nederlands Dagblad, is dat er onvoldoende onderscheid gemaakt wordt tussen orthodoxie (breed en oecumenisch) en fundamentalisme (smal en sektarisch). Volgens Meijers worden orthodoxe gelovigen ten onrechte in een hoek gedrukt, omdat ze steeds met fundamentalisten worden verward. Meijers slaat de plank echter volkomen mis. Veel smalle en sektarische clubjes, Different bijvoorbeeld, noemen zichzelf niet fundamentalistisch, maar orthodox. De begripsverwarring is voor een (groot) deel aan de orthodoxe/fundamentalistische gelovigen zelf te danken.

Is de zorg om het vrouwenstandpunt van de SGP terecht of is men alleen bang voor de veel strengere regels van een eventuele Islamitische partij in de toekomst?
Die islamitische partij komt er niet. Het vrouwenstandpunt van de SGP is in strijd met het VN-vrouwenverdrag. Een partij als de SGP is in andere Europese landen ondenkbaar. De Tories in Groot-Brittannië wilden niet met de SGP samenwerken in een nieuw te vormen conservatieve Europese partij, vanwege het SGP-vrouwenstandpunt. In een democratie heeft iedereen recht op vertegenwoordiging. Bij de SGP worden vrouwen openlijk gediscrimineerd, en bij de ChristenUnie (iets minder openlijk) homoseksuelen. Ik vind daarom dat deze partijen geen subsidie meer mogen krijgen. Een verbod gaat mij te ver, omdat je dan de vrijzinnigheid paternalistisch afdwingt, waar ik tegen ben. Seculiere partijen kunnen bijvoorbeeld wel met elkaar afspreken, niet met discriminerende partijen (SGP, ChristenUnie en PVV) in een coalitie te gaan. Ik denk echter dat de overheid hier geen taak verdere heeft. Ik vind het reuze lastig, en ben er niet helemaal over uit.

Discussie Seculiere Staat: bescherming tegen willekeur, goed voor de minderheid
Ja. Als de overheid neutraal is zeker. Omdat de overheid gelijke behandeling hoog in het vaandel heeft staan, worden bovendien de minderheden onder de minderheden (christelijke homoseksuelen, afvallige moslims etc.) beter beschermd.

Artikel 6 van de grondwet moet geschrapt worden
Nee. Wel kan de vrijheid van godsdienst misschien beter worden hergeformuleerd als de vrijheid van levensovertuiging, zodat er in de grondwet geen geforceerd onderscheid meer is tussen religieuze en niet-religieuze mensen. Op deze manier worden ook de minderheden onder de minderheden beter beschermd. Misschien kunnen we ook wat leren van de Verenigde Staten, waar de vrijheid van godsdienst en meningsuiting niet als aparte grondrechten worden genoemd, maar allebei in het eerste amendement staan.

Is het onderwerp kerk, staat, geloofsvrijheid niet te belangrijk om aan politici voor te leggen?
Nee. Dominees en imams laten zich dikwijls uit over de politiek, dus politici mogen ook hun zegje over religie doen.

vrijdag, januari 27, 2012

Fundamenteel debat over boerkaverbod nodig

Door: Ewout Klei

Dit artikel staat ook op Liberale Media.

Twitter maakt, zo is mijn observatie, mensen een beetje gemakzuchtig en slordig. Je wordt min of meer gedwongen om je gedachten en vooral gevoelens in 140 tekens op te schrijven en dit ook heel snel te doen, met als gevolg dat de mensen met veel grofheid, felheid of humor twitterdiscussies vaak winnen, en de grote verliezer meestal de nuance is. Ik ben niet enige, die zich weleens aan grofheid of felheid schuldig maakt, maar dit probeer ik te compenseren door altijd op twitter witty te zijn.
Toen het kabinet bekend maakte een boerkaverbod in te stellen, retweette ik, en dit was helemaal in de geest van het proefkonijnhondje van Ivan Pavlov, meteen een paar snedige opmerkingen van progressieve politici hierover. Tijd voor bezinning nam ik niet. Het is wel goed als dat gebeurt, omdat de voorstanders van de boerkavrijheid én de voorstanders van het boerkaverbod, zich allebei op de vrijheid beroepen.
Voorstanders van de boerkavrijheid beroepen zich op de godsdienstvrijheid, of op de vrijheid van individuele zelfexpressie, om de boerkadraagster te verdedigen. Dat vrouwen een boerka dragen, dat mogen ze toch zelf weten? Naast dit eigenlijke motief bespeur ik bij de boerkaverdedigers vaak een oneigenlijk motief (ook bij mijzelf, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen), namelijk dat als de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders vóór het boerkaverbod is, dit een goede reden is om tegen zo’n verbod te zijn.
Bij de boerkaverbieders bestaat het beeld, dat een vrouw door haar echtgenoot of een ander mannelijk lid van de familie gedwongen wordt een boerka om te doen. Zo’n boerka zou daarom, meer nog dan de hoofddoek, symbool staan voor de onderwerping van de vrouw. Om deze onderdrukte vrouwen een handje te helpen, moet de boerka worden verboden. Naast dit eigenlijke argument zijn er uiteraard ook oneigenlijke, die te maken hebben met de woeste wilderiaanse woordenwaterval over de bescherming van de ‘joods-christelijke cultuur’ tegen de ‘tsunami van islamisering’ en wat niet al. Een praktijk die net als vrouwenbesnijdenis onder maar zeer weinig moslims in Nederland voorkomt, wordt gezien als het zoveelste bewijs dat ‘de’ islam niet deugt, en dat de joods-christelijke cultuur superieur is. Dat vrouwen in Spakenburg, Staphorst, Urk en andere streng-christelijke dorpen vroeger werden gedwongen om klederdracht te dragen, wordt gemakshalve maar even vergeten.
Laten we de discussie dus vrij maken van die eeuwige discussies over Wilders en de islam. Dat is niet relevant. Het debat moet allereerst gaan over de vraag, of vrouwen zelf kiezen een boerka te dragen, of dat de gemeenschap hun dwingt om dat te doen. Daarnaast moeten we de vraag stellen, of een verbod de al dan niet onderdrukte vrouwen wel verder helpt. Worden vrouwen die vrijwillig voor een boerka kiezen niet in hun godsdienstvrijheid en zelfexpressie aangetast? En worden vrouwen die nu een boerka mogen dragen straks niet thuis opgesloten, als er boerkaverbod komt? En als een boerkaverbod verkeerd zou zijn, waarmee zijn de vrouwen die gedwongen worden een boerka te dragen dan wel bij gebaat? Het zijn lastige fundamentele vragen, waarop ik zelf zo een-twee-drie nog geen antwoord heb.
Ten slotte nog iets anders. In Frankrijk betaalt de rijke zakenman Rachid Nekkaz als een moderne Robin Hood de boerkaboetes. Misschien wil hij die boetes in Nederland straks ook betalen, of wie weet wil één of andere rijke oliesjeik uit Saoedi-Arabië dit gaan doen. Mocht zoiets het geval zijn, dan zou ik als kabinet de boetes enorm verhogen en verder met de boerkadraagsters afspreken dat zij 50% boerkabonus krijgen, die echter pas wordt uitgekeerd als de PVV geen gedoogsteun meer geeft. Een nuchtere en fundamentele discussie is belangrijk, maar het moet in deze theatrale tijden wel een beetje witty blijven.

dinsdag, januari 24, 2012

Stel verbod op erkenning en ontkenning Armeense genocide niet strafbaar

Stel verbod op erkenning en ontkenning Armeense genocide niet strafbaar

Door: Ewout Klei

Turkije is woest. Waarom? Frankrijk heeft op 24 januari 2012 een wet aangenomen, die het strafbaar maakt de Armeense genocide van 1915 te ontkennen. Premier Erdogan noemt de Franse wet racistisch en discriminerend. Volgens Turkije zijn er honderd jaar geleden erge dingen gebeurd, maar gaat het veel te ver om deze gebeurtenissen een genocide te noemen. Men spreekt liever over de Armeense kwestie.
Turkije heeft een punt. In tegenstelling tot de Holocaust is de Armeense genocide omstreden. Werd van overheidswege besloten de Armeniërs uit te moorden? Hierover bestaat in de geschiedschrijving geen consensus. De gepolitiseerde controverse sleept zich al tientallen jaren voort.

In de negentiende eeuw stond het Ottomaanse Rijk – ooit een machtig rijk in het Midden-Oosten en op de Balkan, met het huidige Turkije als machtscentrum – onder druk. Europese mogendheden bedreigden het rijk van buitenaf, nationalistische bewegingen destabiliseerden het van binnenuit. In het Europese deel van het rijk slaagden sommige volken erin onafhankelijk te worden; in het Aziatische deel bleef de eenheid voorlopig bewaard.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos het Ottomaanse Rijk de kant van de Centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) en raakte zo in oorlog met Rusland, dat de kant de Entente (Frankrijk en Groot-Brittannië) had gekozen. De christelijke Armeniërs hoopten met de steun van Rusland hun onafhankelijkheid te herwinnen. Volgens de pro-Turkse historicus Justin McCarthy, die over het onderwerp in 2005 in Leiden een lezing hield, bedreigde de Armeense opstand het Ottomaanse Rijk in zijn voortbestaan. De deportatie van grote aantallen Armeniërs naar Syrië was volgens McCarthy daarom meer dan logisch. Op deze manier hoopten de Turken de opstand te breken. Natuurlijk kwamen hier – door moord, honger en ziekte – veel onschuldige Armeniërs bij om, maar er stierven in de oorlog ook veel onschuldige moslims. Het sterftecijfer was volgens McCarthy onder beide groepen even hoog, ongeveer 40 procent.
Daarom is het volgens McCarthy onjuist de ene partij vrij te pleiten en de andere partij alle schuld in de schoenen te schuiven. Dat is volgens hem wel het doel van de Armeense nationalisten, die in Europa en Amerika sterk aan het lobbyen zijn om de genocide erkend te zien en een verbod op ontkenning strafbaar te stellen. De Armeense lobby wil een verbod op een alternatieve visie op de gebeurtenissen. McCarthy’s pleidooi is dan ook dat historici moeten beslissen over de vraag, of er sprake was van een genocide of een kwestie.

McCarthy’s betoog is sympathiek en lijkt overtuigend. De archieven lijken ook zijn gelijk te bevestigen: in de Turkse archieven wijst niets op een bevel tot genocide, er heeft nooit een Turkse Wannseeconferentie plaatsgevonden. De documenten van Amerikaanse en Engelse ooggetuigen, die uitgebreid verhaalden over de Armeense genocide, kunnen bovendien worden uitgelegd als anti-Turkse propaganda, met als doel de Centralen zwart te maken.
Daarentegen verhaalden Duitse militairen en diplomaten ook uitgebreid over de gebeurtenissen. Ze waren bondgenoten van de Turken, maar beschuldigden de Ottomaanse machthebbers wel degelijk van genocide. Ook maakte de manier waarop de Armeniërs werden gedeporteerd, hun dood wel heel waarschijnlijk. Ze moesten binnen een of twee dagen vertrekken, onderweg voor de meest elementaire levensbehoeften met goud betalen en in gedwongen marsen door de woestijn trekken, wat velen noodlottig werd. Er was bovendien geen enkele poging gedaan op de eindbestemming te zorgen voor onderdak, voedsel en water voor de gedeporteerden.
Het is onduidelijk hoeveel Armeniërs er tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn omgekomen. De schattingen lopen uiteen van 300.000 tot 2 miljoen.
Sommige historici vermoeden dat niet de Ottomaanse overheid, maar een kerngroep van de Jong-Turken (een nationalistische partij, die in 1908 de macht had gegrepen) achter de plannen in de richting van genocide zat. Deze kerngroep greep de opstand aan om de Armeense kwestie voorgoed op te lossen. Helaas zijn de archieven van de verschillende organisaties van de Jong-Turken verdwenen en is het moeilijk tot definitieve conclusies te komen. De Duitse rapporten en de verklaringen die na de oorlog zijn afgelegd voor het Ottomaanse tribunaal, dat de vervolgingen van de Armeniërs onderzocht, wijzen wel op een doelbewuste uitroeiingspolitiek.

Tot zover de geschiedenis. Terug naar de politiek. In Nederland heeft de ChristenUnie meerdere malen voor een verbod op de ontkenning van de Armeense genocide verdedigd, een conservatief ideologisch pleidooi dat mede als doel had om het islamitische Turkije buiten de Europese Unie te houden. In Frankrijk speelt een ander, meer opportunistisch motief een grote rol, namelijk de stem van de Armeense immigranten. Franse politici willen deze grote groep kiezers niet voor het hoofd stoten. Een voorstel voor een verbod op de ontkenning van de Armeense genocide heeft in West-Europa dan ook niets met wetenschap te maken, maar alles met politiek.
In Turkije ligt de zaak nog gevoeliger, omdat een erkenning van de Armeense genocide een mea culpa voor vroeger inhoudt, een klap in het gezicht van de Turkse nationale trots. Sinds enkele jaren is in Turkije het erkennen van de Armeense genocide dan ook strafbaar. In het in 2005 in het Wetboek van Strafrecht opgenomen artikel 301 staat dat de Turkse identiteit niet beledigd mag worden. Meteen dat jaar al werd de Turkse schrijver Orhan Pamuk, winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, met beroep op dit artikel voor het gerecht gedaagd. Pamuk had in een interview met een Zwitsers tijdschrift gezegd dat de Turken zo’n 30.000 Koerden hadden vermoord en zo’n 1 miljoen Armeniërs, maar dat geen Turk dit hardop durfde te zeggen, dus moest hij het maar doen. Uiteindelijk besloot men de zaak tegen Pamuk echter te seponeren.
Met de Armeens-Turkse journalist Hrant Dink liep het slechter af. Hij kreeg in 2006 zes maanden voorwaardelijk, en werd begin 2007 doodgeschoten door een Turkse nationalist. McCarthy zegt dat Armeense en Westerse voorstanders van een ontkenningsverbod een vrije academische discussie in de weg staan, maar van een vrij debat is in Turkije ook beslist geen sprake.

Turkije heeft een punt. De Franse wet is slechte symboolpolitiek, waar we niets mee kunnen. Of de Armeense genocide echt een genocide was of slechts een kwestie, blijft een lastige vraag. Het is echter een vraag die door historici moet worden beantwoord, en niet door politici.