Posts tonen met het label Spruyt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Spruyt. Alle posts tonen
zondag, juni 12, 2011
woensdag, februari 18, 2009
ChristenUnie 'links' dankzij Verbrugh
Dit artikel komt voor in dossier: ChristenUnie
http://www.nd.nl/artikelen/2009/februari/11/christenunie-links-dankzij-verbrugh
Geplaatst: 11 februari 2009 14:40, laatste wijziging: 11 februari 2009 19:18
door Ewout Klei
In het Nederlands Dagblad van 30 januari j.l., stond een boeiend artikel van P.H. de Jong. Volgens De Jong is de ChristenUnie afscheid aan het nemen van haar oude herkersteningsideaal, dat vroeger vooral is gepropageerd door de rechtse GPV-theoreticus Bart Verbrugh. Naar aanleiding van dit artikel is de bekende conservatieve publicist Bart Jan Spruyt januari in de pen geklommen. In zijn artikel van 6 februari schrijft hij dat de ChristenUnie haar oude conservatieve principes overboord heeft gezet en nu een ontwortelde linkse partij is geworden. Dat de ChristenUnie nu 'links' is komt namelijk, en dit is heel paradoxaal, juist door Verbrugh. Omdat de discussie in het Nederlands Dagblad nu alle kanten dreigt op te gaan zal ik, voor een beter begrip van wat er nu aan de hand is, deze paradox uitleggen.
Verbrugh geldt als dé politieke denker van het Gereformeerd Politiek Verbond. Het GPV was in 1948 opgericht vanwege kritiek op de Antirevolutionaire Partij. De belangrijkste bezwaren waren kerkelijk van aard, maar er waren ook politieke bezwaren. De belangrijkste vertolker van deze bezwaren was Bart Verbrugh. Omdat hij niet uit een gereformeerd nest kwam maar uit een conservatief-liberaal milieu was hij een relatieve buitenstaander. Het GPV werd tot 1959 gedomineerd door dominees en schoolmeesters die niets moesten hebben van een politiek program. Schrift en Belijdenis was genoeg.
Toen na het ethisch conflict over het ethisch conflict (dit was een erg ingewikkeld conflict: het ging over de vraag of niet-vrijgemaakten wel lid mochten worden van het GPV en of vrijgemaakten die vonden dat niet-vrijgemaakten wel lid mochten wel ware vrijgemaakten waren) het GPV-bestuur gedwongen was om op te stappen kreeg de visie van Verbrugh de wind in de zeilen. Verbrugh schreef de politieke richtlijnen voor de nationaal-gereformeerde politiek, die na een lange en moeizame discussie in 1966 door de Algemene Vergadering werden aangenomen. In 1979 en in 1996 werden deze richtlijnen geactualiseerd.
De centrale gedachte in Verbrughs politieke filosofie was dat de overheid God de hoogste eer moest geven. De overheid moest een christelijke overheid zijn. Volgens Verbrugh bevoordeelde de grondwet van J.R. Thorbecke liberalen en socialisten. Als een christen-politicus zich beriep op zijn geloof werd hij buiten de orde gesteld. Dit was de negentiende-eeuwse politicus G. Groen van Prinsterer vaak overkomen. Verbrugh was daarom van mening dat de grondwet daarom moest worden hervormd in christelijke zin, met als gevolg dat er aan deze (vermeende) discriminatie van christenen een einde kwam.
Een ander belangrijk element in Verbrughs politieke filosofie was de opvatting dat overheid er al was voor de zondeval en dat de primaire taak van de overheid niet was om de zonde te weren, maar om te bouwen en te bewaren. De overheid had als hoofd van de samenleving een belangrijke taak in het tot ontwikkeling brengen van de aarde. Verbrugh noemde zijn politieke filosofie nationaal gereformeerd, omdat de cultuuropdracht allereerst op nationaal niveau uitgevoerd moest worden.
In het verkiezingsprogram van 1963, waarin de hand van Verbrugh duidelijk zichtbaar is, zei het GPV in plaats een materialistische welvaartspolitiek een ontwikkelingspolitiek te willen voeren. Nederland moest worden ontgonnen: er moest een vaste oeververbinding komen met Zeeuws Vlaanderen en Noord Nederland moest verder worden ontwikkeld en jonge gezinnen moesten naar Suriname (Neêrlands enige overgebleven kolonie) gaan om daar pioniersarbeid te verrichten.
Hoewel de door Verbrugh voorgestelde ontwikkelingspolitiek behoorlijk nationalistisch en dus rechts was, legde hij hiermee echter de kiem voor de verlinksing van het GPV. Dit werd in 1981 duidelijk toen het GPV vriend en vijand verraste met het Nationaal Herstel- en Ontwikkelingplan. In dit plan - dat sterk beïnvloed was door het gedachtegoed van Verbrugh maar waar ook andere GPV'ers als J. Blokland, L. Hordijk, N. Vogelaar en B. van Popta aan hadden gewerkt - werd een krachtig overheidsingrijpen verdedigd om zo de werkloosheid terug te dringen. De overheid moest investeren in grote ontwikkelingsprojecten die veel werkgelegenheid zouden opleveren en die de overheid bovendien, en dit was heel Verbrughiaans, de gelegenheid zou geven te wijzen op de eer van God. Buitenlandse werknemers pasten niet in dit plan. Ze kregen van het GPV de keuze voorgelegd óf te integreren óf te emigreren. Nederland moest weer een sterk land worden.
Hoewel de achtergrond van het NHOP dus duidelijk rechts was, kreeg het GPV dankzij dit plan een steeds linkser gezicht. Schutte interpelleerde op 27 januari 1983 samen met PvdA-kamerlid A. van der Hek premier Lubbers over het werkgelegenheidsbeleid. Naar aanleiding hiervan kopte het dagblad Trouw: 'Haalt het GPV de PvdA links in?' Ook kreeg het GPV in de jaren tachtig en negentig meer aandacht voor de zorg voor het milieu, dat in de ogen van steeds meer GPV'ers een betere invulling was van de cultuuropdracht dan grote bouwprojecten.
Terug naar Spruyt. Hoewel het klopt dat Verbrugh vlak voor zijn overlijden belangstelling heeft getoond voor het conservatisme en de Edmund Burke Stichting, is de politieke filosofie van Verbrugh niet zonder meer als conservatief te typeren. Verbrugh was in de eerste plaats een nationalist. Nationalisten hebben in tegenstelling tot conservatieven niet bij voorbaat principiële bezwaren tegen een sterke overheid.
GPV'ers die op het gedachtegoed van Verbrugh voortbouwden maar met zijn nationalistische ideeën wat minder goed uit de voeten konden, hebben de partij een linksere koers doen laten inslaan. Spruyts stelling dat de ChristenUnie het oude herkersteningsideaal van Verbrugh heeft ingeruild voor een links beleid is een beetje te kort door de bocht. Er is eerder sprake van een geleidelijke ontwikkeling, die tot op zekere hoogte helemaal geen breuk met het verleden is.
Ewout Klei is historicus en schrijft een proefschrift over het Gereformeerd Politiek Verbond
http://www.nd.nl/artikelen/2009/februari/11/christenunie-links-dankzij-verbrugh
Geplaatst: 11 februari 2009 14:40, laatste wijziging: 11 februari 2009 19:18
door Ewout Klei
In het Nederlands Dagblad van 30 januari j.l., stond een boeiend artikel van P.H. de Jong. Volgens De Jong is de ChristenUnie afscheid aan het nemen van haar oude herkersteningsideaal, dat vroeger vooral is gepropageerd door de rechtse GPV-theoreticus Bart Verbrugh. Naar aanleiding van dit artikel is de bekende conservatieve publicist Bart Jan Spruyt januari in de pen geklommen. In zijn artikel van 6 februari schrijft hij dat de ChristenUnie haar oude conservatieve principes overboord heeft gezet en nu een ontwortelde linkse partij is geworden. Dat de ChristenUnie nu 'links' is komt namelijk, en dit is heel paradoxaal, juist door Verbrugh. Omdat de discussie in het Nederlands Dagblad nu alle kanten dreigt op te gaan zal ik, voor een beter begrip van wat er nu aan de hand is, deze paradox uitleggen.
Verbrugh geldt als dé politieke denker van het Gereformeerd Politiek Verbond. Het GPV was in 1948 opgericht vanwege kritiek op de Antirevolutionaire Partij. De belangrijkste bezwaren waren kerkelijk van aard, maar er waren ook politieke bezwaren. De belangrijkste vertolker van deze bezwaren was Bart Verbrugh. Omdat hij niet uit een gereformeerd nest kwam maar uit een conservatief-liberaal milieu was hij een relatieve buitenstaander. Het GPV werd tot 1959 gedomineerd door dominees en schoolmeesters die niets moesten hebben van een politiek program. Schrift en Belijdenis was genoeg.
Toen na het ethisch conflict over het ethisch conflict (dit was een erg ingewikkeld conflict: het ging over de vraag of niet-vrijgemaakten wel lid mochten worden van het GPV en of vrijgemaakten die vonden dat niet-vrijgemaakten wel lid mochten wel ware vrijgemaakten waren) het GPV-bestuur gedwongen was om op te stappen kreeg de visie van Verbrugh de wind in de zeilen. Verbrugh schreef de politieke richtlijnen voor de nationaal-gereformeerde politiek, die na een lange en moeizame discussie in 1966 door de Algemene Vergadering werden aangenomen. In 1979 en in 1996 werden deze richtlijnen geactualiseerd.
De centrale gedachte in Verbrughs politieke filosofie was dat de overheid God de hoogste eer moest geven. De overheid moest een christelijke overheid zijn. Volgens Verbrugh bevoordeelde de grondwet van J.R. Thorbecke liberalen en socialisten. Als een christen-politicus zich beriep op zijn geloof werd hij buiten de orde gesteld. Dit was de negentiende-eeuwse politicus G. Groen van Prinsterer vaak overkomen. Verbrugh was daarom van mening dat de grondwet daarom moest worden hervormd in christelijke zin, met als gevolg dat er aan deze (vermeende) discriminatie van christenen een einde kwam.
Een ander belangrijk element in Verbrughs politieke filosofie was de opvatting dat overheid er al was voor de zondeval en dat de primaire taak van de overheid niet was om de zonde te weren, maar om te bouwen en te bewaren. De overheid had als hoofd van de samenleving een belangrijke taak in het tot ontwikkeling brengen van de aarde. Verbrugh noemde zijn politieke filosofie nationaal gereformeerd, omdat de cultuuropdracht allereerst op nationaal niveau uitgevoerd moest worden.
In het verkiezingsprogram van 1963, waarin de hand van Verbrugh duidelijk zichtbaar is, zei het GPV in plaats een materialistische welvaartspolitiek een ontwikkelingspolitiek te willen voeren. Nederland moest worden ontgonnen: er moest een vaste oeververbinding komen met Zeeuws Vlaanderen en Noord Nederland moest verder worden ontwikkeld en jonge gezinnen moesten naar Suriname (Neêrlands enige overgebleven kolonie) gaan om daar pioniersarbeid te verrichten.
Hoewel de door Verbrugh voorgestelde ontwikkelingspolitiek behoorlijk nationalistisch en dus rechts was, legde hij hiermee echter de kiem voor de verlinksing van het GPV. Dit werd in 1981 duidelijk toen het GPV vriend en vijand verraste met het Nationaal Herstel- en Ontwikkelingplan. In dit plan - dat sterk beïnvloed was door het gedachtegoed van Verbrugh maar waar ook andere GPV'ers als J. Blokland, L. Hordijk, N. Vogelaar en B. van Popta aan hadden gewerkt - werd een krachtig overheidsingrijpen verdedigd om zo de werkloosheid terug te dringen. De overheid moest investeren in grote ontwikkelingsprojecten die veel werkgelegenheid zouden opleveren en die de overheid bovendien, en dit was heel Verbrughiaans, de gelegenheid zou geven te wijzen op de eer van God. Buitenlandse werknemers pasten niet in dit plan. Ze kregen van het GPV de keuze voorgelegd óf te integreren óf te emigreren. Nederland moest weer een sterk land worden.
Hoewel de achtergrond van het NHOP dus duidelijk rechts was, kreeg het GPV dankzij dit plan een steeds linkser gezicht. Schutte interpelleerde op 27 januari 1983 samen met PvdA-kamerlid A. van der Hek premier Lubbers over het werkgelegenheidsbeleid. Naar aanleiding hiervan kopte het dagblad Trouw: 'Haalt het GPV de PvdA links in?' Ook kreeg het GPV in de jaren tachtig en negentig meer aandacht voor de zorg voor het milieu, dat in de ogen van steeds meer GPV'ers een betere invulling was van de cultuuropdracht dan grote bouwprojecten.
Terug naar Spruyt. Hoewel het klopt dat Verbrugh vlak voor zijn overlijden belangstelling heeft getoond voor het conservatisme en de Edmund Burke Stichting, is de politieke filosofie van Verbrugh niet zonder meer als conservatief te typeren. Verbrugh was in de eerste plaats een nationalist. Nationalisten hebben in tegenstelling tot conservatieven niet bij voorbaat principiële bezwaren tegen een sterke overheid.
GPV'ers die op het gedachtegoed van Verbrugh voortbouwden maar met zijn nationalistische ideeën wat minder goed uit de voeten konden, hebben de partij een linksere koers doen laten inslaan. Spruyts stelling dat de ChristenUnie het oude herkersteningsideaal van Verbrugh heeft ingeruild voor een links beleid is een beetje te kort door de bocht. Er is eerder sprake van een geleidelijke ontwikkeling, die tot op zekere hoogte helemaal geen breuk met het verleden is.
Ewout Klei is historicus en schrijft een proefschrift over het Gereformeerd Politiek Verbond
zondag, oktober 05, 2008
Trots op vooroordelen
Dit artikel stond alweer een tijdje geleden in het Katern.
Door: Ewout Klei
Theodore Dalrymple, Leve het vooroordeel! Nederlandse vertaling Jabik Veenbaas. Uitgeverij Nieuw Amsterdam. 2008. ISBN 97890468043131. Oorspronkelijke titel: In praise of prejudice. The necessity of preconceived ideas, New York/Londen 2007.
De rassenrellen in Los Angeles in 1992, die er uiteindelijk voor zorgden dat George Bush senior de presidentsverkiezingen verloor, inspireerden de dames van de popgroep En Vogue tot het schrijven van ‘Free your mind’. In dit nummer tegen ‘prejudice’ riepen ze de alle mensen op om ‘colorblind’ te zijn:
I wear tight clothing and high heel shoes,
it doesnt make me a prostitute;
I like rap music wear hip-hop clothes,
That doesnt mean that Im sellin dope.
Het essay Leve het vooroordeel! van Theodore Dalrymple doet een beetje aan 'Free your mind' denken. Zou deze gepensioneerde psychiater en een tegendraadse conservatieve polemist van het type Bart-Jan Spruyt echt een pleidooi houden voor discriminatie? Deze vraag moet met ‘ja’ worden beantwoord. Niettemin maakt dit zijn betoog, hoe gek het misschien ook klinken mag, niet verwerpelijk. Althans, niet helemaal.
In zijn essay benadrukt Dalrymple dat vooroordelen ervaring en kennis bevatten over wat de samenleving goed en kwaad vindt. Vooroordelen liggen om die reden aan de basis van regels voor fatsoenlijke omgangsvormen. Omdat mensen niet vanuit het niets een eigen ethiek kunnen ontwerpen zijn vooroordelen noodzakelijk. Volgens Dalrymple gebruiken veel mensen onbevooroordeeldheid als een excuus om losbandig en onbeheerst te zijn, in plaats van zich te conformeren aan de heersende normen en waarden. Dit is slecht voor het individu en voor de maatschappij.
Als men het ene vooroordeel veroordeelt komt daar vaak een ander vooroordeel voor terug. Dalrymple noemt als voorbeeld de visie van een zichzelf progressief achtende journaliste van The Guardian. Zij betoogde in een artikel dat als een meisje van zeventien uit de onderklasse graag zwanger wil worden, dit niet noodzakelijkerwijs een domme beslissing is omdat haar enige alternatief is om voor een hongerloon vakken te gaan vullen in de supermarkt. Hoewel de journaliste in kwestie volgens Dalrymple vermoedelijk apetrots is op haar onbevooroordeeldheid in deze kwestie, ging zij ook uit van enkele niet-triviale vooronderstellingen, namelijk dat laagbetaald werk niet deugt en dat vakken vullen iets vernederends is. Niet het vakken vullen is erg, maar de elitair-linkse verachting van de journaliste.
Volgens Dalrymple is het maken van onderscheid niet altijd slecht. Het begrip ‘discrimination’ had vroeger een positieve betekenis en betekende dat er een onderscheid werd gemaakt tussen waar en niet-waar, mooi en lelijk, goed en kwaad enzovoort. Iemand die discrimineerde was iemand die goed kon oordelen. Later kreeg het begrip echter een uiterst negatieve connotatie en was iemand die discrimineerde een racist, een homofoob, een reactionair en (het ergste van alles) een conservatief. Uiteraard is Dalrymple dus niet voor discriminatie op basis van ras, maar wel voor maken onderscheid. In de meeste gevallen zijn mannen met een agressief uiterlijk, bijvoorbeeld met tatoeages en piercings, volgens de psychiater ook agressief en gewelddadig. Het is veel beter om deze mannen daarom uit de weg te gaan dan om er een relatie mee aan te gaan, wat menig goedgelovig meisje uit de achterbuurt schijnt te doen omdat het uiterlijk weinig zou zeggen over hoe die persoon in het echt is.
Hoewel vanuit mijn hardnekkige vooroordelen tegen vooroordelen ik het boekje liever niet zou willen aanprijzen als fenomenaal en fantastisch, hiervoor is het betoog toch een beetje apodictisch, heeft Dalrymple een goed punt gemaakt. Het essay kan daarom het beste gelezen worden ter lering en vermaak.
Tenslotte kan de lezer die Dalrymple eens in het echt wil horen zijn geluk niet op, want op 2 oktober aanstaande spreekt hij in Nijmegen: www.ru.nl/sp/dalrymple
Door: Ewout Klei
Theodore Dalrymple, Leve het vooroordeel! Nederlandse vertaling Jabik Veenbaas. Uitgeverij Nieuw Amsterdam. 2008. ISBN 97890468043131. Oorspronkelijke titel: In praise of prejudice. The necessity of preconceived ideas, New York/Londen 2007.
De rassenrellen in Los Angeles in 1992, die er uiteindelijk voor zorgden dat George Bush senior de presidentsverkiezingen verloor, inspireerden de dames van de popgroep En Vogue tot het schrijven van ‘Free your mind’. In dit nummer tegen ‘prejudice’ riepen ze de alle mensen op om ‘colorblind’ te zijn:
I wear tight clothing and high heel shoes,
it doesnt make me a prostitute;
I like rap music wear hip-hop clothes,
That doesnt mean that Im sellin dope.
Het essay Leve het vooroordeel! van Theodore Dalrymple doet een beetje aan 'Free your mind' denken. Zou deze gepensioneerde psychiater en een tegendraadse conservatieve polemist van het type Bart-Jan Spruyt echt een pleidooi houden voor discriminatie? Deze vraag moet met ‘ja’ worden beantwoord. Niettemin maakt dit zijn betoog, hoe gek het misschien ook klinken mag, niet verwerpelijk. Althans, niet helemaal.
In zijn essay benadrukt Dalrymple dat vooroordelen ervaring en kennis bevatten over wat de samenleving goed en kwaad vindt. Vooroordelen liggen om die reden aan de basis van regels voor fatsoenlijke omgangsvormen. Omdat mensen niet vanuit het niets een eigen ethiek kunnen ontwerpen zijn vooroordelen noodzakelijk. Volgens Dalrymple gebruiken veel mensen onbevooroordeeldheid als een excuus om losbandig en onbeheerst te zijn, in plaats van zich te conformeren aan de heersende normen en waarden. Dit is slecht voor het individu en voor de maatschappij.
Als men het ene vooroordeel veroordeelt komt daar vaak een ander vooroordeel voor terug. Dalrymple noemt als voorbeeld de visie van een zichzelf progressief achtende journaliste van The Guardian. Zij betoogde in een artikel dat als een meisje van zeventien uit de onderklasse graag zwanger wil worden, dit niet noodzakelijkerwijs een domme beslissing is omdat haar enige alternatief is om voor een hongerloon vakken te gaan vullen in de supermarkt. Hoewel de journaliste in kwestie volgens Dalrymple vermoedelijk apetrots is op haar onbevooroordeeldheid in deze kwestie, ging zij ook uit van enkele niet-triviale vooronderstellingen, namelijk dat laagbetaald werk niet deugt en dat vakken vullen iets vernederends is. Niet het vakken vullen is erg, maar de elitair-linkse verachting van de journaliste.
Volgens Dalrymple is het maken van onderscheid niet altijd slecht. Het begrip ‘discrimination’ had vroeger een positieve betekenis en betekende dat er een onderscheid werd gemaakt tussen waar en niet-waar, mooi en lelijk, goed en kwaad enzovoort. Iemand die discrimineerde was iemand die goed kon oordelen. Later kreeg het begrip echter een uiterst negatieve connotatie en was iemand die discrimineerde een racist, een homofoob, een reactionair en (het ergste van alles) een conservatief. Uiteraard is Dalrymple dus niet voor discriminatie op basis van ras, maar wel voor maken onderscheid. In de meeste gevallen zijn mannen met een agressief uiterlijk, bijvoorbeeld met tatoeages en piercings, volgens de psychiater ook agressief en gewelddadig. Het is veel beter om deze mannen daarom uit de weg te gaan dan om er een relatie mee aan te gaan, wat menig goedgelovig meisje uit de achterbuurt schijnt te doen omdat het uiterlijk weinig zou zeggen over hoe die persoon in het echt is.
Hoewel vanuit mijn hardnekkige vooroordelen tegen vooroordelen ik het boekje liever niet zou willen aanprijzen als fenomenaal en fantastisch, hiervoor is het betoog toch een beetje apodictisch, heeft Dalrymple een goed punt gemaakt. Het essay kan daarom het beste gelezen worden ter lering en vermaak.
Tenslotte kan de lezer die Dalrymple eens in het echt wil horen zijn geluk niet op, want op 2 oktober aanstaande spreekt hij in Nijmegen: www.ru.nl/sp/dalrymple
zondag, november 19, 2006
Rechtsom met de tijdgeest mee
Deze boekbespreking stond in Het Katern, de boekenbijlage van het Nederlands Dagblad, op vrijdag 17 november 2006.
door ewout klei
Op 3 februari 2001 schreef Joshua Livestro in NRC Handelsblad dat het conservatieve moment was aangebroken. Op zaterdag 26 augustus 2006 schreven Livestro en Bart-Jan Spruyt in dezelfde krant dat dit moment voorbij was.
De poging om een brede rechts-conservatieve stroming in de Nederlandse politiek te vormen, was volgens deze conservatieven naïef geweest. Door persoonlijke vetes en egomanie was de rechterkant van het politieke spectrum versplinterd. Spruyt verliet de Partij voor de Vrijheid en trok zich terug in de politieke woestijn, nadat hij tevergeefs had geprobeerd Wilders met de zelfbenoemde ‘zonen van Pim’ (Marco Pastors en Joost Eerdmans) te verenigen. Ook de VVD leek afstand te hebben genomen van een rechtsere koers: Ayaan Hirsi Ali (Magan) moest Nederland overhaast verlaten en ‘iron lady’ Rita Verdonk verloor de lijsttrekkersverkiezingen van het guitige knaapje Mark Rutte.
De (mislukte) pogingen die de afgelopen vijf jaar zijn ondernomen om te komen tot de vorming van een krachtige rechts-conservatieve stroming en partij, en de kansen die er nu misschien zijn om dit alsnog te proberen, staan centraal in de bundel Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de Lage Landen, onder redactie van Huib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben. Het boek snijdt een hoogst actueel thema aan, dat op gedegen wetenschappelijke wijze wordt behandeld. Jammer is wel dat er vooral aandacht is voor de ideologische kant van de zaak. De culturele kant van de Fortuynrevolte en de gevolgen hiervan voor de Nederlandse politiek, zoals de veranderende kijk op leiderschap en de grotere rol van de media, krijgen te weinig aandacht, terwijl juist de herwaardering van het theater de politiek weer interessant heeft gemaakt.
Vervreemden
De bundel begint met een artikel van Pellikaan. Hij vindt dat het aloude links-rechtsschema ontoereikend is om de ruimte op rechts, die ontstond doordat de VVD onder Hans Dijkstal een meer sociaalliberale koers uitstippelde, te verklaren. Als het ging om immigratie en de islam stond Fortuyn toentertijd duidelijk rechts van de VVD, maar in zijn roep om politieke vernieuwing en kritiek op de verwaarlozing van de collectieve sector stond hij juist aan de linkerkant.
De VVD probeerde na mei 2002 het gapende gat op rechts te dekken, maar kon niet zomaar de rechts-conservatieve richting van Geert Wilders inslaan. Dit zou immers de traditionele achterban van de partij vervreemden. Volgens Sander Dekker en Luuk van Middelaar heeft de VVD - in navolging van Pim Fortuyn en diens ,,illustere voorganger en voorbeeld” Joan Derk van der Capellen - een tijdlang voor een republikeinse weg gekozen, met de nadruk op een actief burgerschap, het zogenaamde citoyen-liberalisme. Waar bourgeois-liberalen als Hans Wiegel en Mark Rutte zich op het spel van de markt richtten, stelden de republikeinse citoyen-liberalen Ayaan Hirsi Ali en Rita Verdonk de participatie van burgers centraal en de staat als oorsprong en waarborg van onze constitutionele vrijheden. Religie, of het nu het calvinisme van Kuyper is of de islam, zou deze vrijheden in de weg staan. Vandaar dat Hirsi Ali en Verdonk het bijzonder onderwijs zo fel bestrijden, waar Wiegel er geen moeite mee heeft.
Beschermen
Dat actief burgerschap niet perse een sterke staat impliceert, is de overtuiging van Spruyt, die een herziening van het kiesstelsel bepleit om Nederland verder te democratiseren. Spruyt keert zich in zijn artikel over de Amerikaanse filosoof Leo Strauss tegen moreel relativisme, dat leidt tot nihilisme en geweld. Spruyt staat een conservatisme van prudentie (inzicht, verstandig oordeel) voor, dat - in tegenstelling tot het door contrarevolutionaire of fascistisch beïnvloede conservatisme van de paniek - niet leugen en bedrog, irrationeel sektarisme, zelfaanbidding en omverwerping van de rechtsstaat tot gevolg heeft.
Spruyt wil de rechtsstaat beschermen. De westerse beschaving en de liberale democratie moeten worden verdedigd tegen bedreigingen van binnenuit zoals multiculturele zelfhaat enerzijds, en bedreigingen van buiten zoals de radicale islam anderzijds. ,,De politiek kan en mag geen uitspraken doen over de waarheid van religies, maar kan wel erkennen dat bepaalde religies een fundamentele bijdrage aan het bestaan van de westerse beschaving hebben geleverd, en dat andere – met name de islam – zich problematisch tot het Westen verhouden. Grote waakzaamheid op dat punt is dus geboden, omdat moet worden voorkomen dat grondwettelijke rechten en vrijheden worden misbruikt om deze op den duur af te schaffen.”
Dit is dus geen aanval op de vrijheid van godsdienst, maar de verdediging van het algemeen belang. Waar Wilders zich ontpopt tot paniekconservatief die de islam als religie wil aanpakken en op deze manier de vrijheid om zeep helpt die hij meent te verdedigen, lijkt Spruyt voorzichtiger te zijn geworden en predikt hij de prudentie.
Bezieling
Interessant zijn de artikelen van Hans Vollaard over de avances van de in 2000 door Spruyt, Livestro en rechtsfilosoof Andreas Kinneging opgerichte Edmund Burke Stichting (EBS) naar de SGP, de ChristenUnie en het CDA. De in de marge gedrongen christelijke partijen waren volgens de EBS de natuurlijke bondgenoten tegen Paars. Volgens Kinneging waren niet alle conservatieven christen, maar een christen was van nature conservatief.
De SGP en de ChristenUnie hadden echter hun bedenkingen. Ze wilden geen conservatieve maar een christelijke bezieling van de samenleving. Bij de conservatieven stond de Bijbel niet centraal. Het CDA daarentegen vond de EBS te principieel. De christendemocraten waren in de praktijk vaak conservatief, maar men wilde zich ideologisch niet al te zeer vastleggen omdat dit de kiezers uit het midden wellicht zou afschrikken en de partij er vooral op uit was om te (blijven) regeren. De C van het CDA stond allereerst voor catch-all.
Ondanks het feit dat Hans Hillen, Dries van Agt en Eimert van Middelkoop sympathieën voor het conservatisme hadden, lukte het de EBS niet, via de confessionele partijen, een rechtse doorbraak te bewerkstelligen. Spruyts toenadering tot de seculiere, fel anti-islamitische Wilders zorgde voor de definitieve breuk.
Periodes
Is er nog hoop voor Spruyt en de zijnen? Jos de Beus gelooft dat het conservatisme de komende jaren de toekomst heeft. Volgens hem wordt de politieke geschiedenis van Nederland in de ene periode door conservatisme en in de andere periode door progressiviteit gedomineerd. Van 1813 tot 1853 was Nederland conservatief, van 1853 tot 1920 progressief, van 1920 tot 1949 opnieuw conservatief, en van 1949 tot 2002 wederom progressief. Als de conservatieve en progressieve periodes zich op deze manier blijven afwisselen, dan hebben we veertig à vijftig jaar conservatisme voor de boeg.
Het conservatisme in Nederland is niet heel erg uitgesproken, omdat de elite het vermogen heeft zich aan te passen aan de veranderende tijdgeest en signalen uit de samenleving weet op te pikken. Werd het politieke discours van links en rechts na de oorlog beheerst door wat historicus James Kennedy noemt de ‘retoriek van vernieuwing’, nu wordt de politiek door een conservatiever discours beheerst. Volgens De Beus is er daarom niet echt ruimte voor een (neo)conservatieve partij in de geest van Bart-Jan, omdat de bestaande partijen vanwege hun relatieve openheid het nieuwe rechtse gedachtegoed incorporeren in hun eigen programma’s. Niet alleen rechtse maar ook de linkse partijen zijn ‘rechtser’ geworden. Zo heeft de PvdA afstand genomen van het knuffelmulticulturalisme en werd Femke Halsema door haar voorstel om de krachteloze verzorgingsstaat aan te pakken door de VVD-jongeren uitgeroepen tot ‘liberaal van het jaar’.
Ten slotte was de rechtse intellectueel voor Fortuyn een contradictio in terminis. Vandaag zijn ze niet weg te slaan uit het publieke debat. De grachtengordelgoeroes hebben hun hegemonie verloren. Het conservatieve EBS-moment mag dan misschien nu voorbij zijn, rechts heeft de komende tijd de ruimte.
Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de Lage LandenHuib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben (red.). Uitg. Het Spectrum, Utrecht 2006. 347 blz. € 19,90
door ewout klei
Op 3 februari 2001 schreef Joshua Livestro in NRC Handelsblad dat het conservatieve moment was aangebroken. Op zaterdag 26 augustus 2006 schreven Livestro en Bart-Jan Spruyt in dezelfde krant dat dit moment voorbij was.
De poging om een brede rechts-conservatieve stroming in de Nederlandse politiek te vormen, was volgens deze conservatieven naïef geweest. Door persoonlijke vetes en egomanie was de rechterkant van het politieke spectrum versplinterd. Spruyt verliet de Partij voor de Vrijheid en trok zich terug in de politieke woestijn, nadat hij tevergeefs had geprobeerd Wilders met de zelfbenoemde ‘zonen van Pim’ (Marco Pastors en Joost Eerdmans) te verenigen. Ook de VVD leek afstand te hebben genomen van een rechtsere koers: Ayaan Hirsi Ali (Magan) moest Nederland overhaast verlaten en ‘iron lady’ Rita Verdonk verloor de lijsttrekkersverkiezingen van het guitige knaapje Mark Rutte.
De (mislukte) pogingen die de afgelopen vijf jaar zijn ondernomen om te komen tot de vorming van een krachtige rechts-conservatieve stroming en partij, en de kansen die er nu misschien zijn om dit alsnog te proberen, staan centraal in de bundel Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de Lage Landen, onder redactie van Huib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben. Het boek snijdt een hoogst actueel thema aan, dat op gedegen wetenschappelijke wijze wordt behandeld. Jammer is wel dat er vooral aandacht is voor de ideologische kant van de zaak. De culturele kant van de Fortuynrevolte en de gevolgen hiervan voor de Nederlandse politiek, zoals de veranderende kijk op leiderschap en de grotere rol van de media, krijgen te weinig aandacht, terwijl juist de herwaardering van het theater de politiek weer interessant heeft gemaakt.
Vervreemden
De bundel begint met een artikel van Pellikaan. Hij vindt dat het aloude links-rechtsschema ontoereikend is om de ruimte op rechts, die ontstond doordat de VVD onder Hans Dijkstal een meer sociaalliberale koers uitstippelde, te verklaren. Als het ging om immigratie en de islam stond Fortuyn toentertijd duidelijk rechts van de VVD, maar in zijn roep om politieke vernieuwing en kritiek op de verwaarlozing van de collectieve sector stond hij juist aan de linkerkant.
De VVD probeerde na mei 2002 het gapende gat op rechts te dekken, maar kon niet zomaar de rechts-conservatieve richting van Geert Wilders inslaan. Dit zou immers de traditionele achterban van de partij vervreemden. Volgens Sander Dekker en Luuk van Middelaar heeft de VVD - in navolging van Pim Fortuyn en diens ,,illustere voorganger en voorbeeld” Joan Derk van der Capellen - een tijdlang voor een republikeinse weg gekozen, met de nadruk op een actief burgerschap, het zogenaamde citoyen-liberalisme. Waar bourgeois-liberalen als Hans Wiegel en Mark Rutte zich op het spel van de markt richtten, stelden de republikeinse citoyen-liberalen Ayaan Hirsi Ali en Rita Verdonk de participatie van burgers centraal en de staat als oorsprong en waarborg van onze constitutionele vrijheden. Religie, of het nu het calvinisme van Kuyper is of de islam, zou deze vrijheden in de weg staan. Vandaar dat Hirsi Ali en Verdonk het bijzonder onderwijs zo fel bestrijden, waar Wiegel er geen moeite mee heeft.
Beschermen
Dat actief burgerschap niet perse een sterke staat impliceert, is de overtuiging van Spruyt, die een herziening van het kiesstelsel bepleit om Nederland verder te democratiseren. Spruyt keert zich in zijn artikel over de Amerikaanse filosoof Leo Strauss tegen moreel relativisme, dat leidt tot nihilisme en geweld. Spruyt staat een conservatisme van prudentie (inzicht, verstandig oordeel) voor, dat - in tegenstelling tot het door contrarevolutionaire of fascistisch beïnvloede conservatisme van de paniek - niet leugen en bedrog, irrationeel sektarisme, zelfaanbidding en omverwerping van de rechtsstaat tot gevolg heeft.
Spruyt wil de rechtsstaat beschermen. De westerse beschaving en de liberale democratie moeten worden verdedigd tegen bedreigingen van binnenuit zoals multiculturele zelfhaat enerzijds, en bedreigingen van buiten zoals de radicale islam anderzijds. ,,De politiek kan en mag geen uitspraken doen over de waarheid van religies, maar kan wel erkennen dat bepaalde religies een fundamentele bijdrage aan het bestaan van de westerse beschaving hebben geleverd, en dat andere – met name de islam – zich problematisch tot het Westen verhouden. Grote waakzaamheid op dat punt is dus geboden, omdat moet worden voorkomen dat grondwettelijke rechten en vrijheden worden misbruikt om deze op den duur af te schaffen.”
Dit is dus geen aanval op de vrijheid van godsdienst, maar de verdediging van het algemeen belang. Waar Wilders zich ontpopt tot paniekconservatief die de islam als religie wil aanpakken en op deze manier de vrijheid om zeep helpt die hij meent te verdedigen, lijkt Spruyt voorzichtiger te zijn geworden en predikt hij de prudentie.
Bezieling
Interessant zijn de artikelen van Hans Vollaard over de avances van de in 2000 door Spruyt, Livestro en rechtsfilosoof Andreas Kinneging opgerichte Edmund Burke Stichting (EBS) naar de SGP, de ChristenUnie en het CDA. De in de marge gedrongen christelijke partijen waren volgens de EBS de natuurlijke bondgenoten tegen Paars. Volgens Kinneging waren niet alle conservatieven christen, maar een christen was van nature conservatief.
De SGP en de ChristenUnie hadden echter hun bedenkingen. Ze wilden geen conservatieve maar een christelijke bezieling van de samenleving. Bij de conservatieven stond de Bijbel niet centraal. Het CDA daarentegen vond de EBS te principieel. De christendemocraten waren in de praktijk vaak conservatief, maar men wilde zich ideologisch niet al te zeer vastleggen omdat dit de kiezers uit het midden wellicht zou afschrikken en de partij er vooral op uit was om te (blijven) regeren. De C van het CDA stond allereerst voor catch-all.
Ondanks het feit dat Hans Hillen, Dries van Agt en Eimert van Middelkoop sympathieën voor het conservatisme hadden, lukte het de EBS niet, via de confessionele partijen, een rechtse doorbraak te bewerkstelligen. Spruyts toenadering tot de seculiere, fel anti-islamitische Wilders zorgde voor de definitieve breuk.
Periodes
Is er nog hoop voor Spruyt en de zijnen? Jos de Beus gelooft dat het conservatisme de komende jaren de toekomst heeft. Volgens hem wordt de politieke geschiedenis van Nederland in de ene periode door conservatisme en in de andere periode door progressiviteit gedomineerd. Van 1813 tot 1853 was Nederland conservatief, van 1853 tot 1920 progressief, van 1920 tot 1949 opnieuw conservatief, en van 1949 tot 2002 wederom progressief. Als de conservatieve en progressieve periodes zich op deze manier blijven afwisselen, dan hebben we veertig à vijftig jaar conservatisme voor de boeg.
Het conservatisme in Nederland is niet heel erg uitgesproken, omdat de elite het vermogen heeft zich aan te passen aan de veranderende tijdgeest en signalen uit de samenleving weet op te pikken. Werd het politieke discours van links en rechts na de oorlog beheerst door wat historicus James Kennedy noemt de ‘retoriek van vernieuwing’, nu wordt de politiek door een conservatiever discours beheerst. Volgens De Beus is er daarom niet echt ruimte voor een (neo)conservatieve partij in de geest van Bart-Jan, omdat de bestaande partijen vanwege hun relatieve openheid het nieuwe rechtse gedachtegoed incorporeren in hun eigen programma’s. Niet alleen rechtse maar ook de linkse partijen zijn ‘rechtser’ geworden. Zo heeft de PvdA afstand genomen van het knuffelmulticulturalisme en werd Femke Halsema door haar voorstel om de krachteloze verzorgingsstaat aan te pakken door de VVD-jongeren uitgeroepen tot ‘liberaal van het jaar’.
Ten slotte was de rechtse intellectueel voor Fortuyn een contradictio in terminis. Vandaag zijn ze niet weg te slaan uit het publieke debat. De grachtengordelgoeroes hebben hun hegemonie verloren. Het conservatieve EBS-moment mag dan misschien nu voorbij zijn, rechts heeft de komende tijd de ruimte.
Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de Lage LandenHuib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben (red.). Uitg. Het Spectrum, Utrecht 2006. 347 blz. € 19,90
vrijdag, juli 28, 2006
Platform voor extremisten en vrijdenkers
Dit artikel stond in het Nederlands Dagblad van vrijdag 28 juli 2006
door Ewout Klei
Kleine politieke partijen zijn vooral een forum voor mensen om hun radicale ideeën in kwijt te kunnen, een perfect platform voor extremisten, querulanten en vrijdenkers.
Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 1967 deden meer dan twintig politieke partijen mee aan de strijd om de gunst van de kiezer. Om enigszins wegwijs te worden in de jungle, die in Nederland partijpolitiek wordt genoemd, schreef de Groningse journalist Henk J. Meier het Politiek Zakboek 1967. In zijn boekje zijn naast de gevestigde partijen de kleine partijen opgenomen en veel partijen, deels nieuwe partijen, die niet in het parlement waren vertegenwoordigd. Naast D'66 waren dit onder andere de Partij voor Ongehuwden, de Republikeinse Partij, de Partij van het Recht, de Christen Democraten Unie en last but not least de Christelijk Nationale Volkspartij voor Monarchale Democratie (CNVPvMD).
Vandaag de dag lijkt het niet veel anders met de politiek gesteld. Na het grote succes van nieuwkomer Lijst Pim Fortuyn, die in 2002 26 zetels haalde, beproefden in 2003 enkele nieuwe partijtjes, zoals de Partij voor de Dieren, Lijst Emile Ratelband en conservatieven.nl hun geluk. In 2006 zullen andere 'fortuynzoekers' een poging wagen. Bij de kiesraad staan tientallen politieke partijen ingeschreven die niet in het parlement worden vertegenwoordigd. Deze kleine partijtjes zijn het perfecte platform voor extremisten, querulanten en vrijdenkers. In kleine partijtjes kunnen ze ongestoord werken aan radicale en/of buitenissige ideeën waar in grote partijen geen ruimte voor is. De Partij voor Naastenliefde Vrijheid en Diversiteit (PNVD) pleit bijvoorbeeld voor legalisatie van seks tussen volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar en naaktloperij.
Welke partijtjes maken kans om in het parlement te worden verkozen? En wat is de functie van deze partijtjes voor de Nederlandse politiek?
Afzetten
Laten we beginnen bij DeZES. Deze partij werd op 13 mei 2006 opgericht in Zutphen door D66-dissidenten. Op de website staan een enthousiast meisje en DeZES-kroonjuwelen als 'One man, one vote', 'radicale democratisering' en 'online politiek'. DeZES wil een online monitor-groep in het leven roepen waarvan alle partijleden lid kunnen worden. Deze groep moet DeZES-vertegenwoordigers in de toekomst controleren en zo nodig afzetten. DeZES denkt in november tenminste één zetel te kunnen halen. Hoewel online-ostracisme wel een aardig idee is (bierviltjes-ostracisme is misschien nog aardiger), doet DeZES denken aan WorldOnline van Nina Brink: een zeepbel.
Radicaler dan DeZES is de Continue Directe Democratie Partij van Rob Verboom. De partij haalde op 20 december 2005 het dagblad Trouw. De CDDP wil met een continu referendum onder de leden bepalen wat haar vertegenwoordigers gaan stemmen. De CDDP heeft zelf geen standpunten. Het Documentatiecentrum voor Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) verwijst op zijn website naar de CDDP, maar de informatie over de CDDP op de online encyclopedie Wikipedia is genomineerd voor verwijdering.
Dieren
DeZES en de CDDP willen vertegenwoordigers reduceren tot stemvee, de Partij voor de Dieren van Marianne Thieme komt op voor de rechten van het dier en ziet dit als de logische stap in het evolutionaire proces dat emancipatie heet. Volgens Thieme hebben nadere diervriendelijke partijen, zoals GroenLinks, te weinig prioriteiten gegeven aan de rechten van het dier. De in 2002 opgerichte PvdD kreeg in 2003 47.665 stemmen, net iets minder dan driekwart van het aantal dat benodigd is voor een zetel. Misschien heeft de partij in november 2006 meer succes.
De Partij voor de Dieren is een one-issuepartij en principiële criticus van GroenLinks, de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders lijkt hier op maar bekritiseert de VVD. In de peilingen is de conservatief-liberale partij goed voor drie zetels. De PvdV wil lagere belastingen, een verbod op het preken in moskeeën in een andere dan de Nederlandse taal, vervanging van artikel 1 van de Grondwet door een artikel waarin het joods-christelijke en humanistische culturele erfgoed wordt beschermd. Hoewel de PvdV door deze houding in de marge van de politiek komt te staan, zorgt Wilders er wel voor dat de VVD, uit angst voor verlies van rechtse kiezers, Rita Verdonk in het zadel wil houden.
Door zich te verbinden met de conservatieve intellectueel Bart Jan Spruyt hebben Wilders en zijn PvdV wellicht nog wat te melden. De partij-in-wording van Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam en het LPF-Kamerlid Joost Eerdmans - met wie Wilders zich absoluut niet wil associëren - kenmerkt zich daarentegen door een totaal gebrek aan inhoud. Een mogelijke partijnaam luidt namelijk: Niet Lullen Maar Poetsen. Zelfs Peter R. de Vries, wiens Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang (PRDV) na enkele maanden een zachte dood stierf, had meer fantasie.
Verder zijn er nog de rechtsextremistische partij NieuwRechts van Michiel Smit, de Vooruitstrevende Integratiepartij van Mr Drs R. Dhalganjansing, die zijn halve familie op de lijst heeft gezet; de Pacifistisch-Socialistische Partij '92 en de Nieuwe Communistische Partij Nederland die niet wilden meedoen met GroenLinks (nu nog het Nieuw Gereformeerd Politiek Verbond), de Liberaal-Democratische Partij, Nederland Transparant, Duurzaam Nederland, de Progressief-Democratie Partij, de Directe Democraten, de Partij van de Toekomst (zet zich in voor feest), Forza! Nederland, de Republikeinse Socialisten, etc. etc. etc.
Van sommige partijen werkt de website het niet meer, wat betekent dat de partij niet meer actief is. Veel kleine partijen zijn het initiatief van een of twee mensen en het is altijd maar de vraag hoe lang ze ermee willen doorgaan. Een website in de lucht houden is voor sommige partijen kennelijk al moeilijk, maar als een nieuwe partij daadwerkelijk aan de verkiezingen wil meedoen, moet men per kieskring (Nederland kent negentien van dit soort kringen) dertig handtekeningen verzamelen en bovendien een waarborgsom van 11.250 euro betalen. Wanneer de partij de kiesdeler niet haalt, wordt deze borgsom niet terugbetaald.
In het Politiek Zakboek 1967 vertelt Meier over J.F.N. van Os, de lijsttrekker van de eerder genoemde CNVPvMD, die in 1967 bijna failliet raakte omdat hij steeds weer probeerde in de Kamer verkozen te worden. VermakelijkKleine politieke partijen zijn vooral een forum voor mensen om hun radicale ideeën in kwijt te kunnen. De politieke invloed van veel partijtjes is nihil. Ze zijn vooral erg vermakelijk. Sommige partijtjes bedreigen door hun principiële opstelling echter grotere partijen (zoals de PvdD Groenlinks en de PvdV de VVD) en oefenen indirect invloed uit. Ten slotte kunnen kleine politieke partijtjes soms voor een grote doorbraak zorgen, omdat ze iets verwoorden waarmee men in Den Haag geen rekening heeft gehouden. Maar tot dusverre zijn alleen D66 en LPF hier in geslaagd.
door Ewout Klei
Kleine politieke partijen zijn vooral een forum voor mensen om hun radicale ideeën in kwijt te kunnen, een perfect platform voor extremisten, querulanten en vrijdenkers.
Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 1967 deden meer dan twintig politieke partijen mee aan de strijd om de gunst van de kiezer. Om enigszins wegwijs te worden in de jungle, die in Nederland partijpolitiek wordt genoemd, schreef de Groningse journalist Henk J. Meier het Politiek Zakboek 1967. In zijn boekje zijn naast de gevestigde partijen de kleine partijen opgenomen en veel partijen, deels nieuwe partijen, die niet in het parlement waren vertegenwoordigd. Naast D'66 waren dit onder andere de Partij voor Ongehuwden, de Republikeinse Partij, de Partij van het Recht, de Christen Democraten Unie en last but not least de Christelijk Nationale Volkspartij voor Monarchale Democratie (CNVPvMD).
Vandaag de dag lijkt het niet veel anders met de politiek gesteld. Na het grote succes van nieuwkomer Lijst Pim Fortuyn, die in 2002 26 zetels haalde, beproefden in 2003 enkele nieuwe partijtjes, zoals de Partij voor de Dieren, Lijst Emile Ratelband en conservatieven.nl hun geluk. In 2006 zullen andere 'fortuynzoekers' een poging wagen. Bij de kiesraad staan tientallen politieke partijen ingeschreven die niet in het parlement worden vertegenwoordigd. Deze kleine partijtjes zijn het perfecte platform voor extremisten, querulanten en vrijdenkers. In kleine partijtjes kunnen ze ongestoord werken aan radicale en/of buitenissige ideeën waar in grote partijen geen ruimte voor is. De Partij voor Naastenliefde Vrijheid en Diversiteit (PNVD) pleit bijvoorbeeld voor legalisatie van seks tussen volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar en naaktloperij.
Welke partijtjes maken kans om in het parlement te worden verkozen? En wat is de functie van deze partijtjes voor de Nederlandse politiek?
Afzetten
Laten we beginnen bij DeZES. Deze partij werd op 13 mei 2006 opgericht in Zutphen door D66-dissidenten. Op de website staan een enthousiast meisje en DeZES-kroonjuwelen als 'One man, one vote', 'radicale democratisering' en 'online politiek'. DeZES wil een online monitor-groep in het leven roepen waarvan alle partijleden lid kunnen worden. Deze groep moet DeZES-vertegenwoordigers in de toekomst controleren en zo nodig afzetten. DeZES denkt in november tenminste één zetel te kunnen halen. Hoewel online-ostracisme wel een aardig idee is (bierviltjes-ostracisme is misschien nog aardiger), doet DeZES denken aan WorldOnline van Nina Brink: een zeepbel.
Radicaler dan DeZES is de Continue Directe Democratie Partij van Rob Verboom. De partij haalde op 20 december 2005 het dagblad Trouw. De CDDP wil met een continu referendum onder de leden bepalen wat haar vertegenwoordigers gaan stemmen. De CDDP heeft zelf geen standpunten. Het Documentatiecentrum voor Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) verwijst op zijn website naar de CDDP, maar de informatie over de CDDP op de online encyclopedie Wikipedia is genomineerd voor verwijdering.
Dieren
DeZES en de CDDP willen vertegenwoordigers reduceren tot stemvee, de Partij voor de Dieren van Marianne Thieme komt op voor de rechten van het dier en ziet dit als de logische stap in het evolutionaire proces dat emancipatie heet. Volgens Thieme hebben nadere diervriendelijke partijen, zoals GroenLinks, te weinig prioriteiten gegeven aan de rechten van het dier. De in 2002 opgerichte PvdD kreeg in 2003 47.665 stemmen, net iets minder dan driekwart van het aantal dat benodigd is voor een zetel. Misschien heeft de partij in november 2006 meer succes.
De Partij voor de Dieren is een one-issuepartij en principiële criticus van GroenLinks, de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders lijkt hier op maar bekritiseert de VVD. In de peilingen is de conservatief-liberale partij goed voor drie zetels. De PvdV wil lagere belastingen, een verbod op het preken in moskeeën in een andere dan de Nederlandse taal, vervanging van artikel 1 van de Grondwet door een artikel waarin het joods-christelijke en humanistische culturele erfgoed wordt beschermd. Hoewel de PvdV door deze houding in de marge van de politiek komt te staan, zorgt Wilders er wel voor dat de VVD, uit angst voor verlies van rechtse kiezers, Rita Verdonk in het zadel wil houden.
Door zich te verbinden met de conservatieve intellectueel Bart Jan Spruyt hebben Wilders en zijn PvdV wellicht nog wat te melden. De partij-in-wording van Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam en het LPF-Kamerlid Joost Eerdmans - met wie Wilders zich absoluut niet wil associëren - kenmerkt zich daarentegen door een totaal gebrek aan inhoud. Een mogelijke partijnaam luidt namelijk: Niet Lullen Maar Poetsen. Zelfs Peter R. de Vries, wiens Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang (PRDV) na enkele maanden een zachte dood stierf, had meer fantasie.
Verder zijn er nog de rechtsextremistische partij NieuwRechts van Michiel Smit, de Vooruitstrevende Integratiepartij van Mr Drs R. Dhalganjansing, die zijn halve familie op de lijst heeft gezet; de Pacifistisch-Socialistische Partij '92 en de Nieuwe Communistische Partij Nederland die niet wilden meedoen met GroenLinks (nu nog het Nieuw Gereformeerd Politiek Verbond), de Liberaal-Democratische Partij, Nederland Transparant, Duurzaam Nederland, de Progressief-Democratie Partij, de Directe Democraten, de Partij van de Toekomst (zet zich in voor feest), Forza! Nederland, de Republikeinse Socialisten, etc. etc. etc.
Van sommige partijen werkt de website het niet meer, wat betekent dat de partij niet meer actief is. Veel kleine partijen zijn het initiatief van een of twee mensen en het is altijd maar de vraag hoe lang ze ermee willen doorgaan. Een website in de lucht houden is voor sommige partijen kennelijk al moeilijk, maar als een nieuwe partij daadwerkelijk aan de verkiezingen wil meedoen, moet men per kieskring (Nederland kent negentien van dit soort kringen) dertig handtekeningen verzamelen en bovendien een waarborgsom van 11.250 euro betalen. Wanneer de partij de kiesdeler niet haalt, wordt deze borgsom niet terugbetaald.
In het Politiek Zakboek 1967 vertelt Meier over J.F.N. van Os, de lijsttrekker van de eerder genoemde CNVPvMD, die in 1967 bijna failliet raakte omdat hij steeds weer probeerde in de Kamer verkozen te worden. VermakelijkKleine politieke partijen zijn vooral een forum voor mensen om hun radicale ideeën in kwijt te kunnen. De politieke invloed van veel partijtjes is nihil. Ze zijn vooral erg vermakelijk. Sommige partijtjes bedreigen door hun principiële opstelling echter grotere partijen (zoals de PvdD Groenlinks en de PvdV de VVD) en oefenen indirect invloed uit. Ten slotte kunnen kleine politieke partijtjes soms voor een grote doorbraak zorgen, omdat ze iets verwoorden waarmee men in Den Haag geen rekening heeft gehouden. Maar tot dusverre zijn alleen D66 en LPF hier in geslaagd.
maandag, september 05, 2005
Vroegtijdig einde van een denktank
Op 31 augustus stond er in verschillende kranten dat de Edmund Burke Stichting wordt gesplitst en dat Bart Jan Spruyt moet vertrekken als directeur. De commerciële activiteiten zullen ondergebracht worden in een zelfstandige denktank die onder eigen naam gaat werken. Spruyt en zijn Burke Stichting zullen zich weer gaan richten op de oorspronkelijke doelstellingen: het uitdragen van het conservatieve gedachtegoed via thema- en discussieavonden. De Edmund Burke Stichting nieuwe stijl begint zonder kantoor of betaald personeel omdat dat 'vooralsnog financieel niet mogelijk is gebleken'. Spruyt wordt daarom bestuurslid, samen met de huidige bestuursleden Andreas Kinneging en Michiel Visser. Dit betekent de facto het einde van de denktank, want met alleen thema-avonden kom je natuurlijk niet in de publiciteit.
In een toelichting op de door te voeren reorganisatie zei Spruyt dat hij al langere tijd ontevreden was over de richting waarin de Burke Stichting zich ontwikkelde. Het meeste geld moest naar het zogenaamde public-policy programma, economische vraagstukken en dergelijke. Voor het uitdragen van de culturele en filosofische aspecten van het conservatisme - waar Spruyt zich als natuurlijk als historicus veel meer voor interesseert - waren nauwelijks fondsen te vinden.
Hoewel ik mij niet zou willen omschrijven als een conservatief vind ik het jammer dat de Edmund Burke Stichting oude stijl is opgedoekt. De Stichting, die eind 2000 (dus voor de opkomst van Fortuyn) werd opgericht, was de eerste politiek-ideologische denktank die niet aan een Nederlandse politieke partij was verbonden. Een grote verademing, want het Nederlandse politieke landschap werd/wordt nog steeds gedomineerd door de schotjesgeest. De Burke Stichting probeerde via boeken en brochures de Nederlandse politiek te beïnvloeden, en vond tot op zekere hoogte gehoor bij partijen als de VVD, het CDA en de ChristenUnie. Het ideaal van Spruyt, een grote conservatieve partij zoals de Republikeinse partij in Amerika, zag men echter niet zo zitten.
Spruyt probeerde meer gehoor te krijgen en knoopte banden aan met het onafhankelijke Tweede-Kamerlid Geert Wilders. Hierover ontstond commotie. CDA-prominenten Hans Hillen en Dries van Agt en ChristenUnie-senator Eimert van Middelkoop stapten uit de Edmund Burke Stichting, omdat die huns inziens niet meer onpartijdig was. Het is natuurlijk de vraag in hoeverre dit voor de denktank funest is geweest. De Edmund Burke Stichting was in ieder geval niet zo salonfähig meer.
Spruyt ontkent echter met klem dat zijn toenadering tot Wilders de huidige reorganisatie noodzakelijk heeft gemaakt. De bestuurscrisis van dit voorjaar had volgens hem vooral te maken met zijn ideeën over hoe de Burke Stichting verder moest.
Misschien zegt de opkomst en ondergang (want daar komt het volgens mij eigenlijk wel op neer) van de Edmund Burke Stichting wel iets over de politieke cultuur van Nederland, die het buitenstaanders met nieuwe ideeën haast onmogelijk maakt om het systeem open te breken. Eind jaren veertig mislukte de doorbraak van de PvdA; D66 wilde de grondwet in democratische zin wijzigen maar in de grondwet van 1983 kwam hier weinig van terecht; een jaar na de moord op Fortuyn was de politiek in Den Haag weer saai als vanouds; van de bestuurlijke vernieuwingen van D66 viel na het vertrek van Thom de Graaf ook niets te verwachten; en er is nu eigenlijk ook geen ruimte meer om een onafhankelijke politiek-filosofische denktank in stand te houden.
Of je het nu met Spruyt eens bent of niet, de publieke discussie ondergaat een behoorlijke aderlating nu zijn denktank min of meer aan een vroegtijdige dood is gestorven. Spruyt zegt zelf geen politieke ambities meer te hebben. "Ik dacht dat het 5 voor 12 was en dat er door een rol in de politiek nog iets te keren viel. Het is echter kwart over één. Alleen een wezenlijke heroriëntatie op het conservatisme kan mijns inziens een keer ten goede brengen."
In een toelichting op de door te voeren reorganisatie zei Spruyt dat hij al langere tijd ontevreden was over de richting waarin de Burke Stichting zich ontwikkelde. Het meeste geld moest naar het zogenaamde public-policy programma, economische vraagstukken en dergelijke. Voor het uitdragen van de culturele en filosofische aspecten van het conservatisme - waar Spruyt zich als natuurlijk als historicus veel meer voor interesseert - waren nauwelijks fondsen te vinden.
Hoewel ik mij niet zou willen omschrijven als een conservatief vind ik het jammer dat de Edmund Burke Stichting oude stijl is opgedoekt. De Stichting, die eind 2000 (dus voor de opkomst van Fortuyn) werd opgericht, was de eerste politiek-ideologische denktank die niet aan een Nederlandse politieke partij was verbonden. Een grote verademing, want het Nederlandse politieke landschap werd/wordt nog steeds gedomineerd door de schotjesgeest. De Burke Stichting probeerde via boeken en brochures de Nederlandse politiek te beïnvloeden, en vond tot op zekere hoogte gehoor bij partijen als de VVD, het CDA en de ChristenUnie. Het ideaal van Spruyt, een grote conservatieve partij zoals de Republikeinse partij in Amerika, zag men echter niet zo zitten.
Spruyt probeerde meer gehoor te krijgen en knoopte banden aan met het onafhankelijke Tweede-Kamerlid Geert Wilders. Hierover ontstond commotie. CDA-prominenten Hans Hillen en Dries van Agt en ChristenUnie-senator Eimert van Middelkoop stapten uit de Edmund Burke Stichting, omdat die huns inziens niet meer onpartijdig was. Het is natuurlijk de vraag in hoeverre dit voor de denktank funest is geweest. De Edmund Burke Stichting was in ieder geval niet zo salonfähig meer.
Spruyt ontkent echter met klem dat zijn toenadering tot Wilders de huidige reorganisatie noodzakelijk heeft gemaakt. De bestuurscrisis van dit voorjaar had volgens hem vooral te maken met zijn ideeën over hoe de Burke Stichting verder moest.
Misschien zegt de opkomst en ondergang (want daar komt het volgens mij eigenlijk wel op neer) van de Edmund Burke Stichting wel iets over de politieke cultuur van Nederland, die het buitenstaanders met nieuwe ideeën haast onmogelijk maakt om het systeem open te breken. Eind jaren veertig mislukte de doorbraak van de PvdA; D66 wilde de grondwet in democratische zin wijzigen maar in de grondwet van 1983 kwam hier weinig van terecht; een jaar na de moord op Fortuyn was de politiek in Den Haag weer saai als vanouds; van de bestuurlijke vernieuwingen van D66 viel na het vertrek van Thom de Graaf ook niets te verwachten; en er is nu eigenlijk ook geen ruimte meer om een onafhankelijke politiek-filosofische denktank in stand te houden.
Of je het nu met Spruyt eens bent of niet, de publieke discussie ondergaat een behoorlijke aderlating nu zijn denktank min of meer aan een vroegtijdige dood is gestorven. Spruyt zegt zelf geen politieke ambities meer te hebben. "Ik dacht dat het 5 voor 12 was en dat er door een rol in de politiek nog iets te keren viel. Het is echter kwart over één. Alleen een wezenlijke heroriëntatie op het conservatisme kan mijns inziens een keer ten goede brengen."
Abonneren op:
Posts (Atom)